Labels

(Foto: Dirk De Lobel)

Komend weekend vindt in Mons de eerste editie van de Belgian Cup zwerkbal plaats. Jazeker, dat is die sport van Harry Potter. En neen, dat is niet om te lachen. Of misschien een beetje, als er iemand een bezem tegen zijn tanden krijgt. (2 november '15)


‘Zwerkbal? Wat is dat in godsnaam?
- ‘Dat is de sport uit de Harry Potter-boeken en -films.’
‘Met die tovenaars? Vliegen jullie dan ook rond op bezems?’
- ‘Die technologie bestaat nog niet.’
‘En hebben jullie dan ook zo’n magisch vliegende gouden snaai?’
- ‘Neen, maar wel een man met een tennisbal aan zijn broek.’
‘En jij meent dat serieus?’
- ‘Absoluut.’

Ziedaar: het gesprek dat ik talloze malen voerde met vrienden, familie en werkgevers, sinds ik in februari zwerkbal begon te spelen bij de Ghent Gargoyles. Op die ‘absoluut’ volgt doorgaans ofwel een schouderophalend ‘het zal wel’, ofwel een geprikkeld ‘maar hoe dan?’ Welaan dan: houd u vast.

Op een veld van zo’n 50 bij 40 meter, met drie hoepels (de doelen) aan weerszijden, lopen twee gemengde teams van zeven spelers. Die klemmen elk een ‘bezem’ (een pvc-buis) tussen de benen. Telkens als ze van die bezem gaan, moeten ze terug naar hun doelen voor ze zich weer mogen mengen.

Drie van de zeven zijn chasers, die proberen een volleybal (de ­quaffle) door een hoepel te gooien. Dat levert tien punten op. Samen met een keeper (een veredelde chaser) moeten zij middels tackles en flitsende intercepties de tegenpartij het scoren beletten. Daarbij helpen twee beaters, die zich van drie trefballen (bludgers) bedienen om de andere spelers aan te tikken. Wie geraakt wordt, moet van zijn bezem – en dus terug naar zijn hoepels.

En dan zijn er nog de seekers die, net als Harry in de boeken, moeten zoeken naar de gouden snaai. In de tovenaarswereld is dat een autonoom vliegend balletje, maar omdat magie iets voor romans is en een drone te gevaarlijk geacht wordt, wordt de snaai vertegenwoordigd door een persoon die volledig in het geel gekleed gaat en een tennisbal in een sok achter aan zijn broek heeft hangen. De snitch is met andere woorden een bal, en dus neutraal. Als een seeker hem de sok afhandig kan maken, levert dat dertig punten op, en eindigt de wedstrijd onmiddellijk. Daardoor draait de wedstrijdduur doorgaans rond het halfuur. O ja, en om die vijf ballen en veertien spelers in goeie banen te leiden zijn er zes scheidsrechters nodig. Bent u nog mee? Geweldig.

 Champions League 

De oorsprong ligt bij een paar toegewijde Amerikaanse universiteitsstudenten. In 2005 pasten zij de regels uit de boeken van Rowling aan aan de wetten van de fysica. Sindsdien neemt zwerkbal een fikse vlucht, met meer dan 300 teams in ruim 20 landen. Ook bij ons: in februari telde België met Deurne, Brussel, Gent en Hasselt amper vier teams, maar op 8 november dingen ook Leuven, Brugge, Luik, Louvain-la-Neuve, Namen en Mons naar de Belgian Cup. De vier eersten plaatsen zich voor de European Quidditch Cup, zowat de Champions League van het zwerkbal, waar de Deurne Dodo’s vorig jaar in Oxford nog zesde werden op 32. Doorheen het jaar loopt een competitie, de Gargoyles organiseren initiaties voor kinderen, en ook de nationale ploeg doet het ver van slecht: op het voorbije EK in het Italiaanse Sarteano eindigden de Gryffins vierde op twaalf. Op het WK van komende zomer zijn de VS en Australië dan weer favoriet. Vooral landen waar rugby en American football populair zijn scoren goed.

Zwerkbal is dan wel gemengd, maar stevig. Volgens Lotte Opsomer (21) van de Ghent Gargoyles is dat deel van de aantrekkingskracht. ‘Het is intens, een opeenstapeling van korte sprints en harde tackles: je kan er echt in vliegen. Maar het is ook tactisch: er gebeurt zoveel op een veld dat je wel moet samenspelen.’

Ploegen zijn dan ook vaak een bonte mix van allerlei types: van kolossale kerels tot frêle freules. En dan bedoelen we echt elk type: zwerkballers gaan er prat op dat ze een open en inclusieve gemeenschap zijn. Zelfs institutioneel: op zeven spelers mogen er maximaal vijf van hetzelfde gender zijn. Gender, niet geslacht: dat laat ruimte voor spelers die zich bijvoorbeeld identificeren als agender of genderfluïde. Sommigen vertellen het hun ploeg zelfs voordat hun ouders het weten – het wordt gezien als de normaalste zaak ter wereld.

Veel spelers zijn verslingerd aan de Harry Potter-boeken – Opsomer herleest ze momenteel in het oud-Grieks – maar twintigers die ze niet lazen zijn dan ook moeilijk te vinden. Toch lijkt de sport meer afstand te nemen van de romans. Ludieke elementen zoals de verplichting een cape te dragen verdwenen al snel. Het aantal gekke hoedjes en geverfde gezichten neemt af, en zelfs het nieuws dat er een toneelstuk komt over de tovenaar zorgde op training voor weinig beroering.

 Minder nerds 

‘Harry Potter is een lokmiddel geworden’, zegt Gargoyle Dorien De Vos (25). ‘Het zet “nerds” aan de sport te proberen, maar het is zo intensief dat je het wel serieus moet nemen. Tegenwoordig zien we meer sportievelingen komen die niets hebben met Potter.’

Daarvoor moeten de meesten wel één struikelblok overwinnen: de bezem. Niet letterlijk, want lopen met zo’n ding tussen je benen krijg je verbazend snel onder de knie. Maar toegegeven: het doet de sport – die naar erkenning en legitimiteit smacht – er nogal belachelijk uitzien. Het is zowat de enige sport die een attribuut gebruikt zonder echte functie. Ten minste, zo lijkt het. De bezems zijn een handicap, net zoals je in rugby de bal alleen achteruit mag gooien, of in voetbal de bal niet met de hand mag aanraken. Het maakt de sport net interessanter: zonder bezem is het stukken makkelijker om te lopen, gooien en tackelen. Of zoals De Vos het samenvat: ‘Als ik rugbyers indrukwekkende punten zie maken, denk ik soms: allemaal goed en wel. Maar probeer dat nu eens met een bezem tussen je benen.’