![]() |
| (Foto: De Standaard.be) |
Wat doet een mens als hij na jaren zwoegen eindelijk de absolute top bereikt met zijn band? Gewoon een nieuwe starten, zegt Dan Auerbach. De helft van bluesduo The Black Keys levert dezer dagen met The Arcs een gloedvolle parel van een plaat af, op het snijvlak van blues en soul. (5 september '15)
‘Het voelt vreemd om hier alleen te zijn’, zegt Dan Auerbach (36) terwijl hij plaatsneemt voor de bandopnemer. Niet omdat hij het bij zijn nieuwste project moet rooien zonder Black Keys-kompaan Patrick Carney, maar omdat The Arcs voor Auerbach meer is dan een achtergrondkoor. Multi-instrumentalist Richard Swift, producer Leon Michels, drummer Homer Steinweiss en bassist Nick Movshon: het zijn Auerbachs favoriete sessiemuzikanten. Wanneer hij de voorbije jaren niet druk bezig was platina te verzamelen met The Black Keys of Grammy’s binnen te rijven voor zijn werk als producer – ’s mans prijzenkast moet van gewapend beton gemaakt zijn – zocht hij hen steevast op voor informele jamsessies.
De vruchten van die arbeid staan nu op Yours, dreamily, een licht psychedelische soulplaat vol spookachtige achtergrondfalsetto’s. The Arcs zoeken het experiment op, zonder dat het vergezocht aanvoelt: rockende bluesnummers (‘The arc’) clashen soms met elektronisch gedreven songs (‘Nature’s child’), maar Auerbachs gloedvolle zanglijnen binden alles mooi samen. En zeggen dat er nog meer is.
Naar verluidt beschikten The Arcs door al die tussentijdse jamsessies al over een catalogus van 75 songs. Toch zijn alle nummers op deze plaat nieuw. ‘We waren gewoon niet zo tevreden over die oudere nummers. Bovendien was onze gedachte niet: we moeten munt slaan uit die oude songs. Het was eerder: kijk eens hoeveel songs we kunnen maken! Dus besloten we ons nieuwe werk niet meer zoals vroeger te laten verkommeren op stoffige harde schijven, maar er albums van te maken.’
Zo is je favoriete vrijetijdsbesteding wel tot werk verworden.
‘Ach, het is nog altijd dezelfde groep vrienden die wat rommelt in de studio. En of het nu voor het werk is of voor de lol: muziek opnemen is gewoon mijn favoriete bezigheid. We hebben zelfs al een volgende ep klaar, die misschien nog dit jaar uit komt. Dat is snel, ja, maar als je het materiaal hebt, waarom zou je het dan niet uitbrengen? De platenindustrie ligt toch op haar gat, dus who cares?’
Wat is je grootste gemene deler met de andere The Arcs-leden?
‘We hebben allemaal verschillende specialiteiten, maar onze interesses overlappen het meest in onze platenbak. Dit album is een staalkaart van al onze platencollecties geworden: je hoort er soul in, vroege rock-’n-roll, hiphop, r&b...’
Waaruit bestaat het grootste deel van jouw vinylverzameling dan?
‘Vooral oude soulplaten uit de jaren zestig en zeventig. Leon (Michels) en ik doen bijvoorbeeld niets liever dan rondrijden terwijl we naar Sunny and The Sunsets luisteren. Het is gek: onze verzamelingen zijn zo gelijkaardig dat hij onlangs nog een van mijn vinyls probeerde te stelen. We gaan regelmatig samen dj’en, met dozen vol singles. Wanneer we onvermijdelijk dronken raken, verzeilen die platen in de verkeerde bak. Onlangs kwam Leon langs om zijn platen terug te halen, maar toen ik zijn stapel dubbelcheckte zag ik plots “Check your bucket”, een single van Eddie Bo. “Die is verdomme van mij, you fucking sneaky fucker”, riep ik. En hij maar beweren dat het de zijne was.’ (lacht)
Heeft je voorkeur voor ‘oude muziek’ te maken met je jeugd? Ook je vader had een stevige platencollectie.
‘Mijn vader speelde zijn platen vooral altijd enorm luid. Het was alsof ik gebrainwasht werd met zijn muziek. Hij nam me ook mee naar The Grateful Dead: dat was het tweede concert waar ik ooit naartoe ging, toen nog in de krachtige, grensverleggende originele bezetting. Ook die invloed heb ik meegenomen op deze plaat: veel songs vloeien in elkaar over, net als bij mijn favoriete platen van The Grateful Dead. In die zin ben ik een verlengde van mijn vaders platenverzameling.’
Dat je niet enkel naar oude soul luistert, wordt duidelijk op ‘Put a flower in your pocket’: dat nummer kan zo op ‘Blakroc’, de rapplaat die je in 2009 maakte met onder andere Mos Def.
‘Ik denk dat het zelfs beter is dan wat op die plaat staat. Wist je trouwens dat “Flower” vermeld is op Worldstar Hiphop? Dat is dé hiphopnieuwssite! Daar hebben ze het nóóit over blanken, tenzij het om Eminem of een of andere racist gaat.’
‘Kijk, van mij moet je nooit een zuivere rapplaat verwachten – ik kan voor geen meter rappen – maar ik experimenteer wel graag met de typische bass drops en drum loops.’
Geeft deze plaat je ook meer ruimte voor zulke experimenten? Met The Black Keys verwachten mensen een bepaald product, maar bij The Arcs kan je zelfs een mariachiband Motown-backings laten zingen – wat je ook doet.
‘Daar heb ik me nooit zorgen om gemaakt. Dat The Black Keys zoveel succes hebben, heeft meer te maken met geluk en timing dan met doen wat mensen verwachten. Bij popmuziek is er een hitformule, maar als The Arcs ooit een doorslaand succes worden, zal het door puur geluk zijn. Dat je de juiste golf vat met je muziek: dat kan je niet plannen.’
‘Bovendien wil ik niet per se iets anders doen dan met The Black Keys. Ik voel niet de nood om mezelf opnieuw uit te vinden. Ik doe nog steeds gewoon mijn eigen ding, maar dit keer met andere muzikanten. Weet je, muziek is enkel goed als je persoonlijkheid erin doorklinkt. Een journalist vroeg me eens een nummer van The Libertines te vergelijken met eentje van Devo. De instrumenten waren dezelfde, maar het eindresultaat was zó anders! En weet je wat het verschil was? De persoonlijkheid van Devo knalde gewoon door de speakers. Iedereen in de muziekwereld heeft dezelfde instrumenten, maar wie echt uitblinkt zijn diegenen die niet krampachtig proberen te klinken als de rest. En ik heb daar geen probleem mee: ik klink graag als mezelf.’
Op de vooruitgeschoven single ‘Stay in my corner’ beschrijf je relatieproblemen aan de hand van een uitgebreide boksmetafoor. Je bent een fan van de sport?
‘Ik boks zelf al zo’n vier jaar, sinds mijn neef bij me introk en het me leerde kennen. Ik apprecieer de wetenschap die erachter zit, maar ook de eenvoud. Ironisch genoeg is het goed voor mijn hoofd. Maar ik boks niet vaak tegen anderen: ik doe eerder aan schaduwboksen.’
Jazzlegende Miles Davis was ook een fervent bokser. Hij noemde het de meest ritmische van alle sporten.
‘Daar zit wat in. Als je op de speed bag slaat: boem, boem… Dat is erg ritmisch. Je beweegt je lichaam, je voeten, je balanceert terwijl je uithaalt: je raakt in the zone. Boksen draait om timing, vooruit denken. In die zin lijkt het veel op muziek.’
‘Het is ook een erg eenzame bezigheid. Vooral wanneer je begint: muzikanten sluiten zichzelf op met een gitaar, boksers in de gymzaal. En als je goed wil worden, moet je het helemaal zelf doen. Bovendien heeft boksen een poëtisch aspect: boksers winnen nooit. Dat is waarom we van ze houden. Want hoe goed je ook bent: uiteindelijk word je punchdrunk, je begint weg te kwijnen. Op “Everything you do” zing ik “I’m barely here/ I’m barely there/ Expect me home any day/ Now real soon”. Dat is het hartverscheurende: zelfs als boksers thuis zijn, zijn ze nooit echt thuis. Het is net als met mensen die ten oorlog trekken: ze raken fucked up.’
Of zoals met muzikanten, die de hele tijd van tour naar tour gaan. Bestaat het risico dat jij ook ‘punchdrunk’ raakt? Op ‘Outta my mind’ zing je namelijk dat ‘pushing buttons now is all that keeps me sane’.
‘Muziek is ook een genadeloze business. Platenlabels zullen je pushen tot je breekt, als je dat toelaat. Maar dat nummer gaat niet over mij. Leon en ik schreven het over iemand die we kennen – een muzikant die de laatste tijd ontspoort en het verknoeit. Dat zie je wel vaker bij artiesten die plots naar de top stijgen. Daar blijven The Black Keys van gespaard. Mijn weg naar het supersterrenbestaan was dan ook lang en saai, en bestond vooral uit veel lange ritten in een veel te kleine auto. Neen, ik voel me behoorlijk in harmonie met iedereen. Veel meer dan pakweg een jaar geleden (toen hij van zijn vrouw scheidde, red.). Ik voel me goed bij mijn familie, mijn kinderen. Ik heb het niet verknoeid. Nog niet.’
