![]() |
| (Foto: Vandaag.be) |
Vijftien jaar geleden vielen rond deze tijd de
eerste kwartjes: de Vlaamse landbouw zat met een dioxineprobleem. Enkele
maanden later werd al duidelijk dat de gevolgen voor de volksgezondheid
minimaal waren, maar dat kon niet gezegd worden voor de politieke
consequenties. "Zonder de dioxinecrisis was Guy Verhofstadt misschien
nooit premier geworden."
Vanaf maart 1999 gonsde het in de West-Vlaamse
kippensector van de geruchten over een crisis. Er werd gewag gemaakt van een
mysterieuze ziekte, of van bodemverontreiniging met zware metalen, maar niemand
kon een verklaring verzinnen voor de massale kippensterfte die sinds februari
optrad.
Tot op 21 april 1999 een rapport binnenvalt op het
departement Volksgezondheid. Dat slaat in als een bom: er zitten dioxines in de
voedselketen. Het Nederlandse laboratorium RIKILT had namelijk PCBs - een
kankerverwekkende stof die onder andere voorkomt in motorolie - ontdekt in
stalen van veevoeder en kippenvet, afkomstig van het Roeselaarse
veevoederbedrijf De Brabander.
Het zou het begin van een politieke crisis worden
die vooral de lacunes in het Belgische voedselveiligheidbeleid blootlegde. Door
een gebrek aan controles en een totale versnippering van diensten had niemand
een duidelijk zicht op wat voor rotzooi zoal de kop op stak in de voedselketen.
Vooral eind mei, op amper twee weken voor de
verkiezingen van 13 juni 1999, heerste er totale paniek bij de bevolking.
Hoewel later zal blijken dat de volksgezondheid nooit écht in gevaar was, zal
de crisis leiden tot een onverwachte verkiezingsuitslag, met een fikse
afstraffing voor toenmalig CVP-premier Jean-Luc Dehaene, waardoor voor Guy
Verhofstadt plots de weg naar het lang begeerde premierschap open ligt. Maar op
die bewuste 21 april kan nog niemand dat voorspellen.
Doodvonnis
Het is dan ook meteen alle hens aan dek: de
overheid begint aan een uitgebreid onderzoek, en het departement Landbouw legt
in alle stilte - de consument zal nog tot eind mei in het ongewisse blijven -
76 pluimveebedrijven aan banden.
Dat werd stilaan ook tijd. Eigenlijk zat het
dioxinespel al sinds eind januari op de wagen. Toen liepen bij De Brabander
steeds meer telefoontjes binnen van klanten die meldden dat hun kippen tot 30
procent minder eieren legden nadat ze hun veevoeders hadden binnengewerkt. Eind
februari escaleerde de situatie zelfs helemaal, toen bleek dat steeds meer
kuikens, verzwakt door ziekte, nauwelijks de kracht hadden om door hun
eierschaal te breken. Tot overmaat van ramp bleken de overlevende kuikens
manifest ongezond: een kwart stierf nog in de kwekerij. Normaalgezien is dat
een paar procent.
Dat waren op zijn zachtst gezegd verdachte
omstandigheden. Maar in plaats van hun veevoeders meteen uit de handel te
nemen, kozen de ingenieurs van De Brabander eieren voor hun geld. Ze stapten
naar hun verzekeraar, AGF-De Schelde, die verzekeringsexpert André Destickere
langs stuurde. Die komt begin maart al tot de conclusie dat er een toxisch
product in het spel is, maar de overheid wordt voorlopig niet ingelicht.
Vanuit het standpunt van de sector is dat nog
enigszins te begrijpen. De economische wonden van de dollekoeienziekte en de
varkensperst liggen nog vers in het geheugen. Maar Destickere is naast
verzekeringsexpert ook inspecteur van het Instituut voor Veterinaire Keuring,
een dienst van het ministerie van Volksgezondheid. En net hij verkiest de
winsten van een privébedrijf boven het algemeen belang. Wanneer minister van Volksgezondheid
Marcel Colla (SP) zich in mei bewust wordt van de schaal van de crisis en de
dubbele rol van Destickere, verbiedt hij de inspecteur meteen zijn lucratieve
dubbelmandaat. Colla tekent op dat moment zijn politiek doodvonnis - maar
daarover later meer.
Motorolie
Op aansturen van Destickere krijgt het RIKILT de
stalen van De Brabandere eind maart. Dat het toch duurt tot 21 april voor er
resultaten zijn, is te begrijpen: het laboratorium had beslist om alle analyses
over te doen, aangezien de eerste bevindingen zo hallucinant waren dat ze
ongeloofwaardig leken. Toch werden ze bevestigd bij hercontrole: het
dioxinegehalte in de stalen lag 1.500 keer hoger dan anders.
Pas op dat moment ruilt Destickere zijn pet van
verzekeringsexpert voor die van IVK-inspecteur. Op 28 april stelt hij minister
van Volksgezondheid Marcel Colla officieel op de hoogte met een rapport dat
later nog een belangrijke rol zal spelen: "ik acht het mijn plicht u
dringend op de hoogte te stellen van een zeer ernstig geval van besmetting van
gevogeltevlees door dioxines." Al kunnen bij die dringendheid flinke
kanttekeningen geplaatst worden: Destickere had twee maanden lang niet gepiept.
Nu stelt de IVK-inspecteur een rapport op waaruit
moest blijken hoeveel van de besmette dieren inmiddels geslacht en opgegeten
waren. De aantallen liepen in de honderdduizenden: ze waren op de markt gekomen
als soepkippen of industrieel verwerkt. Achteraf gezien was het meeste kwaad
daarmee al geschied.
Later zou namelijk blijken dat de PCB-besmetting
teruggaat op één levering van de West-Vlaamse vetsmelter Verkest aan
veevoederfabrikant De Brabander. Verkest verdunde zijn dierlijke vetten
namelijk met "technische vetten", een ware doos van Pandora aan
recyclagevetten die opgehaald werden in containerparken. Daar kan alles in
zitten: van plantaardig frituurvet tot verkeerd gerecycleerde motorolie. Helaas
bleek het deze keer om dat laatste te gaan.
De praktijk was volstrekt illegaal - Verkest werd
in oktober 2013 door een Gentse rechtbank nog veroordeeld tot 1 miljoen
schadevergoeding - maar normaalgezien kan zelfs dat weinig kwaad: doorgaans
worden de technische vetten zo aangevuld met zuiver vet dat er geen schade
volgt. Maar door stom toeval - een leveringsachterstand van Verkest - belandde
een vrachtwagen onverdund technisch vet op 18 januari bij De Brabander. Op geen
enkel moment werd dat vet gecontroleerd. En zo belandden de dioxines, via het
veevoeder van De Brabander, in de voedselketen.
Massahysterie
Pas begin mei zijn de bevoegde ministers Marcel
Colla en CVP-Landbouwminister Karel Pinxten, via de nota-Destickere, volledig
op de hoogte, en slaan ze de handen in elkaar. Op aanraden van zijn toenmalige
kabinetschef, huidig Boerenbond-voorzitter Piet Vanthemsche, besluit Pinxten
eerst de omvang van de besmetting te onderzoeken vooraleer de buitenwereld te
informeren.
Pas drie weken later, op 26 mei, ontstaat daar
duidelijkheid over, maar dan heeft de overheid het heft al niet meer zelf in
handen. Vijf maanden na de eerste klachten bij De Brabander, op een moment dat
de gewone Belg nog rustig kip kauwt, belandt het rapport-Destickere van 28
april, waarin de IVK-inspecteur minister Colla officieel op de hoogte bracht,
op de VRT-nieuwsredactie. Die gooien op 27 mei het nieuws in de ether: "er
is dioxine in de voeding terechtgekomen." De geest is uit de fles.
Op slag ontstaat paniek: niemand weet nog wat hij
mag eten. Intussen tikt de Europese Commissie de Belgische overheid op de
vingers omdat het Europese Rapid Alert System, dat net bedoeld is om potentiële
voedselrampen te signaleren, nooit werd geactiveerd. En Marcel Colla, de man
die in 1996 quasi eigenhandig de flippo's uit pakken aardappelchips bande, nam
de ultieme maatregel: hij besloot alle mogelijk besmette producten uit de
winkelrekken te halen.
Het werd het startschot voor een massale
vernietigingsactie. Liefst zeven miljoen kippen en 60.000 varkens worden dat
jaar preventief afgemaakt. De economische schade liep op tot anderhalf miljard
euro. Het had veel weg van paniekvoetbal. "Dat was het ook," zegt
Piet Vanthemsche nu. "De Europese Commissie verplichtte ons alle bedrijven
te controleren, maar daar hadden we simpelweg niet de laboratoriumcapaciteit
voor. Onze enige andere optie was: die dieren vernietigen."
De massahysterie was compleet: wie niet in een van
de massaal aan banden gelegde landbouw- of voedingsbedrijven werkte, stond
besluiteloos naar zijn koelkast te kijken. Wat te doen met de mayonaise? De
ingevroren vol-au-vent? En hoeveel procent ei zit er in de koekjes van de kinderen?
"Van de weeromstuit gingen mensen zowaar hun dieet op vis baseren,"
herinnert professor emeritus Voedingsmiddelentechnologie André Huyghebaert
(UGent) zich. "Dat was natuurlijk ook geen goeie zaak, want in vis zitten
ook dioxines, door de vervuilde zeeën. Achteraf bekeken was dat misschien zelfs
schadelijker."
Achteraf blijkt het sleutelwoord. Op het moment
zelf wist niemand vanaf welke hoeveelheid een dioxine-inname schadelijk was.
Uitsluitsel kwam er pas na de crisis, in de parlementaire onderzoekscommissie
naar de dioxinecrisis. Daar rekende UCL-toxicoloog Alfred Bernard voor dat de
dioxinedosis in de voedselketen zo laag was dat een mens in de besmette periode
tussen de 30 en de 40 vervuilde kippenporties of omeletten moest gegeten hebben
om de aanwezigheid dioxines in het lichaam te verdubbelen.
Professor Menselijke Ecologie Luc Hens (ULB)
schatte dan weer dat de crisis ergens tussen de 40 en de 4.000 extra
kankerdoden zou opleveren, over een periode van 75 jaar. "Is dat de
moeite?" vroeg Hens zich retorisch af in de commissie, "is dat erg of
niet erg? Dat weet ik niet. Ik maak gewoon mijn huiswerk." De gevolgen
voor de volksgezondheid waren dus niet zo drastisch als eerst gevreesd werd.
Maar dat nieuws kwam pas na de verkiezingen van 13 juni 1999 - schromelijk te
laat om het vel van de regering-Dehaene II te redden.
De wraak van Destickere
Eind mei '99 had ook André Destickere zijn
huiswerk gemaakt. Hij was nog steeds balorig omdat Marcel Colla hem half mei
zijn dubbelmandaat had afgenomen, en vond bovendien dat de minister van
Volksgezondheid niet juist communiceerde in de media. Hij sprak zijn liberale
connecties aan, en zorgde ervoor dat zijn beruchte rapport in de schoot van
oppositieleider Guy Verhofstadt belandde.
De liberalen van VLD had tot dan toe weinig
aandacht besteed aan de dioxinecrisis. Zij wilden vooral in de regering
belanden na de verkiezingen. "Voor de dioxinecrisis dacht Verhofstadt er
niet aan premier te worden," zegt communicatieadviseur Noël Slangen daar
later over. "De belangrijkste strategie was: vooral geen ruzie maken met
de CVP." Maar als Verhofstadt op 30 mei de nota-Destickere in handen
krijgt, weet hij dat hij electoraal goud in handen heeft.
Op 1 juni staat de liberale voorman plots aan de
deur van de ambtswoning van toenmalig premier Jean-Luc Dehaene (CD&V), met
de nota-Destickere in de hand, en een VTM-cameraploeg in zijn kielzog.
"Dat was niet enkel om Dehaene aan te tonen dat Colla meer wist dan hij
liet uitschijnen," duidt politicoloog Carl Devos (UGent). "Het wantrouwen
in de politiek tierde welig - we hadden pas het Agustaschandaal achter de rug -
en Verhofstadt wist dat hij zich kon proflieren als de man die strijdt tegen de
almachtige overheid."
Het legt Da Joenk, zoals Verhofstadt indertijd
genoemd werd, geen windeieren. Bij de verkiezingen van 1999 werd VLD plots de
grootste partij van Vlaanderen. De CVP van Dehaene verloor 7 zetels en hield de
eer aan zichzelf door aan de kant te gaan staan. Plots lag het pad open naar
het premierschap. "Het stond zeker niet in de sterren geschreven dat
Verhofstadt ooit premier zou worden," weet Devos. "Gezien de impact
die het had op de verkiezingen, heeft de dioxinecrisis hem dus zeker een handje
toegestoken."
Voor Verhofstadt was het rapport dé manier om de
regering van Jean-Luc Dehaene een verwoestende genadeklap toe te dienen.
Eindelijk vergelding voor de hak die de christendemocraten hem in 1987 gezet
hadden, toen premier Wilfriend Martens (CVP) de toen populaire Verhofstadt op
aanstoken van Dehaene uit de regering kegelde.
"Verhofstadt heeft die dioxinecrisis maximaal
uitgebuit," analyseert Devos. "Was er een andere houding mogelijk?
Absoluut: hij had die informatie discreet kunnen bezorgen aan de regering. Dat
is een kwestie van ethiek. Maar anderzijds: wie zou dat zo aangepakt hebben? We
zaten op twee weken voor de verkiezingen, in volle kiesstrijd. Dan is alles
gepermitteerd."
De publieke démarche van Verhofstadt leidt ertoe
dat Dehaene geen andere mogelijkheid ziet dan het ontslag van Colla te vragen.
Omdat hij het electorale zelfmoord acht enkel een socialistische minister te
slachtofferen, vraagt hij ook Landbouwminister Karel Pinxten een stap opzij te
zetten.
Die had al meerdere politieke schandalen
overleefd, en weigert eerst ontslag te nemen. Pinxten vond dat enkel Colla
schuld trof: de volksgezondheid was de zaak van de socialist. "Het was een
periode van regelrechte massahysterie," zal Pinxten later terugblikken.
"Was de dioxinecrisis zes maanden eerder uitgebarsten, dan was alles
beperkt gebleven tot wat parlementaire vragen."
"Kijk, er is heel wat fout gegaan in de
manier waarop de crisis beheerd is," blikt Piet Vanthemsche nu terug.
"Moest iedereen daar van in het begin zijn verantwoordelijkheid genomen
hebben, het zou ontslagen geregend hebben. Met de kennis die ik nu heb, zou ik
het zelf trouwens ook volledig anders aanpakken, en van in het begin veel
opener communiceren."
Toch heeft de toenmalige oppositie geen zuivere
rol gespeeld in het hele verhaal, vindt de Boerenbondvoorzitter. "Een
aantal politici, zoals Guy Verhofstadt, maar ook de mensen van Agalev (de
voorloper van Groen, red.), hebben daar hun campagne op gebouwd. De oppositie
heeft er alles aan gedaan om de indruk op te roepen dat hier een probleem van
gigantische proporties aan de gang was, en dat wij dat in de doofpot probeerden
te stoppen. Natuurlijk voelden Karel en ik ons daardoor geflikt, dat is
evident. We werden slachtoffer van een politiek spel."
"Maar goed, dat was het ook: een politiek
spel" zucht Vanthemsche: "Dat hoort erbij. Moest dit jaar een maand
voor de verkiezingen een crisis uitbreken, zou waarschijnlijk exact hetzelfde
gebeuren."
De erfenis van de dioxinecrisis: het
FAVV
"De regering-Di Rupo meent het niet ernstig met
voedselveiligheid"
Vanthemsche troost zich met de gedachte dat het
beleid veel opgestoken heeft uit de dioxinecrisis. Zo werd, onder impuls van
Agalev, dat het te midden de politieke aardverschuiving van 13 juni plots tot
in de nieuwbakken paarsgroene regering schopte,
het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (FAVV) opgericht. Die
instelling maakte een einde aan de versnippering van de controlediensten, en
piloteerde ons land jarenlang naar de top van de voedelsveiligheidsrankings.
Het FAVV moest aantonen dat de Belgen, na de
schandalen van de BSE-crisis, de varkenspest en de dioxinecrisis, hun lesje
geleerd hadden. Het werd een paradepaardje, en kon rekenen op geld, personeel
en aanzien. Maar die troefkaart hebben we intussen prijsgegeven, weet
Groen-Kamerlid Wouter De Vriendt. "In 2008 is het FAVV quasi geruisloos
van het departement Volksgezondheid naar het departement Landbouw verhuisd. Een
flinke achteruitgang, want nu kunnen de belangen van de landbouwindustrie veel
meer ingrijpen op dat voedselagentschap."
Die kritiek wordt gestaafd door een rapport van
het Europees Voedsel- en Veterinair bureau, dat in november 2013 een aantal
gebreken signaleerde in de werking van het FAVV. Duidelijke barsten in het
glimmende blazoen. Er wordt te weinig gecontroleerd, er wordt te laks omgegaan
met overtredingen, en de boetes zijn niet hoog genoeg, klinkt het.
"Het beleid in België heeft zich in slaap
laten wiegen," vindt De Vriendt. "De laatste jaren kregen we nog met
weinig grote incidenten af te rekenen, dus liet men de aandacht verslappen. Het
FAVV moest in 2013 zelfs om 14 miljoen euro besparen! En dat in een jaar dat
onze voedselmarkt getroffen werd door verdacht paardenvlees in lasagnes of de
ESBL-bacterie. Beide incidenten werden trouwens aan het licht gebracht door
consumentenorganisaties als Test-Aankoop. Alle lof daarvoor, maar eigenlijk
moet dat nieuws van het FAVV zelf komen. Het toont aan dat de regering het
eigenlijk niet meent met de voedselveiligheid - en dus ook niet met de
volksgezondheid."
