Labels

(Foto: kvlv.be)

Ze hangen massaal aan de fles, strippen voor hun webcams en slaan al eens een dakloze in elkaar: als we de media mogen geloven zijn de Vlaamse jongeren onderhand zó losgeslagen dat ze enkel nog met GAS-boetes in de hand kunnen worden gehouden. Toch heeft jeugdpsychiater Peter Adriaenssens het volste vertrouwen in hen. "Het wordt tijd dat mijn generatie een stap opzij zet."

Al zijn hele carrière als jeugdpsychiater staat KU Leuven-professor Peter Adriaenssens (59) in nauw contact met jongeren in probleemsituaties. Ook buiten zijn praktijk: als voorzitter van de commissie-Adriaenssens, die seksueel misbruik in de katholieke kerk onderzocht, en sinds kort als voorzitter van het Kinderarmoedefonds. Telkens werd hij geloofd omdat hij geen moeilijke vragen uit de weg gaat, en recht voor de raap spreekt. Met andere woorden: de gedroomde kandidaat om de handel en wandel van de Vlaamse jeugd te bespreken.

Met zijn Vertrouwenscentrum voor Kindermishandeling behandelt Adriaenssens jaarlijks 1600 meldingen. "Dat betekent niet noodzakelijk dat er nu meer misbruik is dan vroeger," legt Adriaenssens uit. "Huisartsen, CLB-medewerkers of leerkrachten vinden het vandaag gewoon gemakkelijker om ouders aan te spreken als ze merken dat er een handafdruk in het gezicht van hun kind staat. Uiteindelijk krijgen we 800 families effectief over  de vloer. Daarbij gaat het om kinderen van alle leeftijden: een derde is jonger dan 3, en een kwart zijn tieners."

Hoe reageren de families die hier uitgenodigd worden?
ADRIAENSSENS: "We merken dat de mentaliteit tegenover kindermishandeling toch veranderd is sinds de zaak-Dutroux. Mensen begrijpen beter waarom ze opgeroepen worden als er zo'n vermoeden is."

U maakt me niet wijs dat hier enkel lachende gezichten in uw wachtkamer zitten.
ADRIAENSSENS: "Natuurlijk komt een deel boos opdagen. Maar van echte agressie zijn we voorlopig redelijk gespaard. Misschien omdat we tegenover de hulpgevangenis van Leuven liggen? (lacht) Maar er wordt wel eens geroepen, ja. Begrijpelijk ook: sommigen hebben schrik dat we hun kinderen gaan afpakken. Maar wij zijn het gerecht niet. Wij bespreken gewoon onze aanwijzingen en vermoedens met de familie, en als er echt een probleem is, wordt overwogen of justitie een onderzoek moet voeren."

Welke verklaring bieden de uitgenodigden dan voor hun gedrag?
ADRIAENSSENS: "Velen beweren dat zij niet met dat seksuele begonnen zijn. 'Het was mijn kind dat mij op een bepaald moment vroeg hoe een stijve eruit zag.' Of nog: 'dat is zo'n driftig manneke, als het niet leert luisteren komt er niets van. Dus gooi ik hem eens een uur in de kelder.' Met die mensen kan je dan het gesprek aan gaan, om hen uit te leggen dat dat niet de goeie manier is om daarmee om te gaan."

 Koptelefoon 

Los van de minderheid die hier op het centrum belandt: hoe gaat het eigenlijk met de Vlaamse jeugd?
ADRIAENSSENS: "Dat hangt af van of je een optimist of een pessimist bent. Het ging alleszins nooit zo goed met zo'n groot deel van de jeugd. Met 70% gaat het prima zonder meer. Maak in je eigen familie maar eens een rij met alle brave kinderen en kleinkinderen, en een andere met alle jeugddelinquenten van de familie: dan zie je die relativiteit pas."

Menig leerkracht zal u ongelijk geven over dat rooskleurige beeld.
ADRIAENSSENS: "Daar zit het verschil tussen onderzoekers en mensen in het werkveld. Die eersten stellen vast dat het aantal ernstige gedragsproblemen niet toeneemt, en dat het aantal jeugddelinquenten - zo'n 4% van de jongeren - niet anders is dan 20 jaar geleden. Leerkrachten en politiemensen zien een andere realiteit. Zij hebben het niet over ernstig gestoorde jongeren, maar over jongeren die serieus het lastpak uithangen."
   "Dat gebrek aan braafheid bij jongeren blijkt tegenwoordig veel mensen dwars te zitten. Die groep van niet-brave tieners neemt toe - ze plassen in voortuinen, spuiten graffiti en maken grove opmerkingen in de tram. Maar ook dat is niet noodzakelijk nieuw: eind jaren '60, ten tijde van Leuven Vlaams, had zowat iedere agent op een bepaald moment wel eens een kassei naar zijn hoofd gekregen. Toen werd ook gepanikeerd over jongeren die niet wilden luisteren. Maar wat wel nieuw is: dit is de eerste generatie waar volwassenen echt bang zijn van tieners. Dat is nooit eerder gebeurd."

Waaraan ligt dat?
ADRIAENSSENS: "Omdat volwassenen in tegenstelling tot jongeren niet meer kunnen vertrouwen op onderlinge solidariteit. Als een jongere in Molenbeek of Borgerhout het aan de stok krijgt met de politie, trommelen ze via sociale media binnen het uur 50 à 100 man op. Maar als een volwassene aan een bankautomaat overvallen wordt door tieners en een noodoproep stuurt naar heel zijn adresbestand, dan komt daar geen kat op af. Mensen aan de overkant van de straat zullen misschien de politie bellen, maar zelf tussenkomen om te helpen, ho maar."

Dat geldt niet enkel voor volwassenen. Toen een jongen in Gent afgerost werd omdat hij zijn dure koptelefoon niet aan een groepje jongeren wou afstaan, schoot ook niemand ter hulp.
ADRIAENSSENS: "Inderdaad. En tot overmaat van ramp deed een politiecommissaris dan een oproep aan kinderen om hun bezittingen gewoon af te geven als ze overvallen worden. Terwijl wij, volwassenen, op zulke momenten net aan jongeren moeten duidelijk maken dat dit soort zaken aangepakt wordt."
   "In dat opzicht houdt de jeugd ons vandaag een spiegel voor. Een flink deel van de problemen met jongeren vandaag wordt immers door volwassenen uitgelokt. Kijk maar naar de zuipbussen die ingelegd worden om Nederlandse jongeren naar Vlaanderen te brengen zodat ze hier in de wodka kunnen vliegen: het zijn volwassenen die dat organiseren. Ik denk dat de jeugd hoopt op volwassenen die alsjeblief een beetje consequenter zijn."

Ze zoeken iemand om hen in het gareel te houden?
ADRIAENSSENS: "Zo is dat. Als jongeren op straat de baas zijn - en dat is momenteel op te veel plaatsen het geval - dreigt een gevaarlijke omkering van de macht. En dat kan je niet oplossen met camera's en blauw op straat: daarvoor heb je verantwoordelijke volwassenen nodig."

In afwachting daarvan hebben we gelukkig nog de GAS-boetes.
ADRIAENSSENS: "Dat is dus echt niet het juiste instrument. De overheid zou beter wat spaarzamer zijn in zijn tussenkomsten, en het zwaartepunt van de opvoeding terug bij de ouders leggen. We zien nu veel ouders die opkomen voor hun kind: 'wat grof, dat je een boete krijgt voor graffitispuiten.' En dat zij die dan zelf betalen. In plaats van die kinderen erop te wijzen dat er duidelijke grenzen zijn. Maar laten we wel wezen: grenzen opzoeken ligt in de natuur van jongeren."

En waar ligt die grens? Bij sneeuwballen gooien? Belletje trek? Mensen laten schrikken? Daar staat tegenwoordig allemaal een boete op.
ADRIAENSSENS: "Dat maakt nochtans deel uit van opgroeien. In het leven is het belangrijk dat je leert luisteren, maar ook dat je leert niet te luisteren. Want iedere volwassene heeft wat hij in zijn leven heeft verwezenlijkt ten dele bereikt door niet te luisteren. Het is omdat jij toch iets anders ging studeren dan wat je vader wou, of omdat je toch met dat ene lief hebt doorgezet, dat je bent wie je bent. En om later de juiste beslissingen te kunnen nemen, moet je natuurlijk wel ergens geoefend hebben met niet-luisteren."

Een jongere moet eens met zijn kop tegen de muur kunnen lopen.
ADRIAENSSENS: "Daar dient het leven voor. En daar moeten we als samenleving mee omkunnen. Alleen zie je dat de tolerantie in ons land vermindert."

Burgemeester van Vilvoorde Hans Bonte (SP.A) ziet dat anders: hij vindt GAS-boetes de enige manier om straffeloosheid bij minderjarigen tegen te gaan.
ADRIAENSSENS: "Er is maar één type straf dat werkt bij jongeren: werkstraffen. Laat een jongere die zijn afval laat rondslingeren meedraaiden met de vuilnisdienst van een gemeente, of laat een tiener die grof is tegen de politie een dag met een wijkagent meelopen. Dan kweek je respect. Maar met een boete van 150 euro voor een defect fietslicht, creëer je enkel zurigheid."

 Internetverslaving 

Misschien kunnen veel jongeren hun afwijkende gedrag niet helpen. Ze lijken wel allemaal met een psychologische aandoening te kampen.
ADRIAENSSENS: "We stellen de laatste drie jaar vast dat er een misplaatste populariteit is van de psychiatrie. Een heleboel jongeren die geen goesting meer hebben om naar school te gaan zeggen plots dat ze een 'schoolfobie' hebben. Ze gebruiken een medische term om hun omgeving in de war te brengen. Want als het een schoolweigeraar is, dan weet de jeugdrechter wat gedaan. Maar als het echt om angst gaat, dan moet hij eerst naar de therapeut. En daar zijn natuurlijk wachtlijsten voor, dus zijn we al gauw weer een half schooljaar verder."

Wordt er vanuit de psychiatrische sector ook niet te enthousiast gegoocheld met termen als ADHD?
ADRIAENSSENS: "Misschien wel. Als het zo doorgaat, hebben we straks allemaal zo'n psychologisch etiket. Maar op een jaar tijd is de gevoeligheid daarrond wel gegroeid. Er zijn nu leerkrachten die in elke klas van 20 leerlingen 7 scholieren hebben met een speciaal papiertje over alle mogelijke leermoeilijkheden of psychische problemen. Maar anderzijds: we komen van ver. Toen ik in het secundair zat bij de jezuïeten moesten moeilijke kinderen de school verlaten, en voor een patron gaan werken. Vandaag weten we beter: dat waren gewoon ernstige ADHD'ers."

Misschien is de slinger intussen te ver doorgeslaan.
ADRIAENSSENS: "Kijk, vandaag proberen we iedereen mee te nemen in het onderwijs. Maar het is niet zeker dat tot 18 jaar in een klas moeten zitten met 20 andere jongeren het beste traject is voor iedereen. Misschien missen we die patrons van vroeger wel - de meeste werkplekken waar je als 16-jarige ervaring op kon doen, fietsenmakers, bakkers, dat zijn intussen allemaal ketens geworden."

In plaats van ze te bestempelen als ADHD'ers, moet men in het onderwijs gewoon durven vaststellen dat bepaalde kinderen niet mee kunnen?
ADRIAENSSENS: "Ze moeten aparte aandacht krijgen, in een aparte onderwijsvorm. Maar daar mist het de budgetten voor. Ik heb al vaker opgeroepen voor kleinere klassen. In deze tijd wordt een doorsnee ouder al zot van drie kinderen in het huishouden. Wat doen we een leerkracht dan aan, die het met 20 kinderen moet doen?"

U heeft zelf vier volwassen dochters. Hoe hield u hen zelf in het gareel?
ADRIAENSSENS: "Ik moet eerlijk zeggen dat ik erg gespaard ben van moeilijkheden. Dat heb ik deels te danken aan mijn beroep: als je vanaf je 25e ganse dagen met ouders en jongeren in moeilijkheden praat, dan krijg je eigenlijk een soort permanente bijscholingscursus opvoeding."

Minder fortuinlijke ouders zoeken vaak hun toevlucht tot een computerverbod: bij 37% is dat de meest populaire straf. Het geeft aan hoe veel belang jongeren hechten aan elektronica.
ADRIAENSSENS: "En terecht. Want pak het maar eens af van een volwassene! Wij horen ook jongeren die klagen dat zij zich aan de regels moeten houden terwijl hun vader onder tafel zijn Blackberry checkt. De waarheid is dat het een deel is geworden van ons aller leven."

Toch blijkt 10% van de 12 tot 17-jarigen met internetverslaving te kampen.
ADRIAENSSENS: "Verslaving is natuurlijk eigen aan jongeren. Als ze van voetbal houdt, moeten ze alle matchen gezien hebben, en als ze uitgaan, moet dat fors zijn. Maar bij de meerderheid is dat een fase, en vindt die jongere uiteindelijk zijn evenwicht."
"Kijk, we weten dat sinds de grote doorbraak van computers en internet eind jaren '90 opvoeden radicaal veranderd is. Maar ik vind dat een grote verantwoordelijkheid ook bij de volwassenen ligt. Want zij ontwikkelen bijvoorbeeld al die kleine cameraatjes in gsm's waarmee jongeren dan onbetamelijke beelden maken. Dat een impulsieve jongere niet kwalijk nemen."

Ze doen het alleszins massaal. Uit een studie van Sensoa blijkt dat 1 op 5 jongeren al een naaktfoto doorgestuurd heeft.
ADRIAENSSENS: "Dat is voor een gezonde jongere toch niet verrassend? Als diegene waarvan jij graag het lief zou zijn vraagt om je bloes open te doen, of om je eens in uwen bloten te zetten… In een impulsief moment doen veel tieners dat. Vaak hebben ze daar tien minuten later spijt van, maar dat is dan weer een leermoment. Het is net omdat internet intussen de foto de eeuwigheid instuurt, dat het probleem dramatisch kan worden. Maar ik hoor van jongeren dat een app als Snapchat (waarbij foto's zichzelf vernietigen na een aantal seconden, red.) dat probleem alweer lijkt op te lossen." (lacht)

 Falende generatie 

Sinds oktober bent u voorzitter van het Kinderarmoedefonds, dat ons vraagt in de geldbuidel te tasten tegen kinderarmoede. Maar wat is dat precies?
ADRIAENSSENS: "Het gaat om kinderen die niet kunnen deelnemen aan alle ontwikkelingsmogelijkheden in de samenleving. Dan hebben we het al lang niet meer over lege brooddozen, maar bijvoorbeeld over toegang tot een computer, of een redelijke woonst. En door de economische omstandigheden - minder werkgelegenheid voor laaggeschoolden of langdurig werklozen, stijgende woonprijzen, een duurder dagelijks leven - wordt die kloof alleen maar groter."

Hoe moeilijk is het voor een kind dat in armoede opgroeit om de sprong te maken naar de andere kant van de kloof?
ADRIAENSSENS: "Dat is erg afhankelijk van of mensen je daar de hand in reiken. Je kan ervoor zorgen dat je kind deelneemt aan de samenleving - dat het naar de crèche gaat, naar de kleuterklas, dat het sport. Maar als een kind bijvoorbeeld niet kan deelnemen omdat een activiteit te duur uitvalt, dan wordt het risico groter dat die jongeren verbitterd raken. Omdat ze zien hoe iedereen zakgeld krijgt of zich een iPad voor Nieuwjaar kan veroorloven. We kwetsen vaak onbedoeld deze jongeren door hen ermee te confronteren hoe goed anderen het hebben. Want zelfs als de iPad gestolen wordt, stellen ze vast dat die andere tóch snel een nieuwe krijgt."

Bij de voorstelling kon uw Kinderarmoedefonds op de nodige kritiek rekenen.
ADRIAENSSENS: "Laat ons zeggen dat onze eerste oproep niet zo'n groot succes was. Dat was voor mij een zweepslag: oké, dit moeten we beter aanpakken. We zijn dan gaan brainstormen met vertegenwoordigers uit allerlei armoedegerelateerde sectoren, en ik zie dat we nu groeien in de goede richting."

Wat liep er precies fout bij de lancering?
ADRIAENSSENS:  "We hadden ons die lancering te gemakkelijk voorgesteld. Ineens kwamen er heel veel vragen: hoe verhoudt dat fonds zich tot de vele andere armoede-initiatieven? Is dit een schaamlapje voor het beleid? Pertinente vragen, waarvan ik op dat moment moest vaststellen dat we daar eigenlijk geen goede opmerkingen voor hadden. We hebben die kritiek uitgelokt omdat we zelf te vaag waren over ons project. Dan vind ik het ook eervol dat je op je stappen durft terugkeren, en de communicatie on hold zet tot je een beter verhaal hebt."

11.11.11-voorzitter Jos Geysels maakte de vergelijking met kinderbijslag: die wordt ook niet verzameld door donaties van het publiek. Daar dienen belastingen voor.
ADRIAENSSENS:  "Daar zit een grond van waarheid in, maar anderzijds vinden we het toch ook logisch dat we een kankerfonds hebben?"

Het lijkt er alleszins op te wijzen dat minister voor Armoedebestrijding Ingrid Lieten (SP.A) niet de juiste beleidskeuzes maakt.
ADRIAENSSENS: "Het is terecht dat druk gezet wordt op het beleid. Maar tegelijk vind ik dat we allemaal een steentje kunnen bijdragen. Zie het als een soort permanente Music For Life, specifiek voor kinderarmoede. En dat is een strijd die we met alle middelen moeten voeren, want het is simpel: in ons soort land zou er eigenlijk geen armoede, en zeker geen kinderarmoede mogen zijn."

Toch blijkt het aantal Vlamingen dat in armoede leeft in 2013 met 20% gestegen. Een mens zou van minder de hoop verliezen.
ADRIAENSSENS: "Dat vind ik dan ook de grootste uitdaging voor jongeren vandaag: hoop krijgen. Krantenkoppen staan vaak vol slecht nieuws - dat het zelfs niet zeker is dat er werk zal zijn voor wie minder dan twee diploma's heeft. Om maar te zwijgen van het vooruitzicht op een pensioen. Maar dat is meteen ook het probleem van mijn generatie: wij praten met schokkende zekerheid over wat de toekomst zal brengen. Wij hebben de economische crisis niet zien aankomen, maar een aantal jaar later gaan dezelfde experten uitleggen hoe het dan vanaf nu zal zijn. Mijn generatie heeft veel gerealiseerd, maar ze moet zich op een bepaald moment ook wel eens realiseren dat er wel eens een eind aan de goeie ideeën kan komen. Tijd om toe te geven: ecologisch waren wij een flop, onze economische modellen falen - we hopen dat jullie betere ideeën hebben."