![]() |
| (Foto: Foreign Policy) |
Bent u nog op zoek
naar een goed voornemen voor 2014? Wat had u gedacht van een nieuwe hobby? Zet
dat breien en salsadansen wel uit uw hoofd - u bent tenslotte Showbizz Bart
niet - en kies voor iets dat in uw omgeving respect afdwingt. Met deze vijf
gewaagde hobby's reanimeert u gegarandeerd uw routineuze levenswandel. Maar
misschien heeft u nadien zelf een defibrillator nodig.
Eind jaren '70 leidden de boksende broers James en Stewart
Robinson een behoorlijk druk leven. Ze zochten dan ook een manier om hun twee
passies, schaken en mekaar in elkaar timmeren, op een efficiënte manier te
combineren. Het leidde tot de geboorte van het schaakboksen, een sport die lang
enkel populair was in Zuid-Londen, maar sinds de jaren 2000 ook internationaal
aan aanhang wint. Eind november vond in Moskou zelfs het 7e
officiële schaakboks-WK plaats, waar de regerende
wereldkampioen Nikolai Sazjin zijn wereldtitel verlengde.
De hobby
Schaken en boksen hebben ongeveer evenveel met elkaar gemeen
als Jacky Lafon en Etienne Vermeersch, maar volgens de World Chess Boxing
Organization (WCBO) is schaakboksen geen zaak van slungelige nerds die
genadeloos op de neus geramd worden door wandelende kleerkasten. Integendeel:
het is een test voor de ultieme atleet, die brains
met biceps weet te combineren.
De wedstrijd wordt opgedeeld in 11 rondjes van telkens vier
minuten, waarbij schaken en boksen mekaar afwisselen, met telkens een minuutje
pauze om even af te koelen, de bokshandschoenen aan of uit te trekken en naar
de ringpoezen die met de bordjes rondgaan te staren. De wedstrijd begint en
eindigt met een potje schaken - tenzij er een tussentijdse knock-out is,
natuurlijk.
Voor u eraan begint:
Als u denkt dat u met uw bovenmenselijke biceps - we weten
het, die pintjes tillen zichzelf niet - wel even snel die schaakslapjanussen
alle kleuren van de regenboog zal slaan, kan u wel eens van een koude kermis
thuiskomen. Er worden namelijk amper WK-finales beslecht met KO. Zo behaalde regerend
wereldkampioen Nikolai Sazjin in 2008 zijn eerste wereldtitel door als
19-jarige student wiskunde Frank 'Anti-Terror' Stoldt - een ex-VN-blauwhelm - in
de derde ronde schaakmat te zetten. Tijdens de schaakrondes dragen de boksers
trouwens zware koptelefoons, zodat ze niet afgeleid worden - of tips krijgen -
van het joelende publiek. Om uw ogen van de ringpoezen te houden, bent u echter
volkomen op uw ijzeren karakter aangewezen.
2. Vulkaansurfen
Toen de Australische tourgids Darryn Webb in 2003 op
vakantie was in Nicaragua, beklom hij samen met vele andere toeristen de Cerro
Negro, de jongste vulkaan van Zuid-Amerika. Maar waar de andere toeristen
vooral onder de indruk waren van het bedreigende natuurwonder - de Cerro Negro
is geenszins uitgedoofd, en barstte de laatste 200 jaar gemiddeld om de 6 jaar
uit - zag Webb het potentieel voor een gewaagde toeristische attractie:
vulkaansurfen.
Webb groeide namelijk op in Queensland, waar hij zijn dagen
spendeerde met zandsurfen in de duinen. En wat op zanderige Australische duinen
kan, moest volgens Webb ook kunnen op met keien bezaaide Nicaraguaanse
vulkanen. Webb pootte prompt een hostel neer in Léon, een stad aan de voet van
de Cerro Negro, en begon van daaruit vulkaansurftours aan te bieden.
De hobby
Dat vulkaansurfen komt eigenlijk neer op snowboarden zonder
sneeuw. Al snel werd echter duidelijk dat snowboards of surfplanken van
kunststof niet bestand waren tegen het harde vulkanische gesteente. Ook
matrassen en zelfs mini-ijskasten bleken niet het gewenste resultaat te bieden,
zodat Webb dan maar zelf aan het knutselen ging. Wanneer u nu bij zijn Bigfoot
Hostel een Cerro Negro-tour boekt, krijgt u er dan ook uw eigen
vulkaansurfplank bovenop: een stuk multiplex, versterkt met metaal en met een
comfortabel zitje uit formica-plastic.
Voor u eraan begint:
Het nadeel is wel dat u dat onding van zo'n 4 kilo eerst nog
naar de top van de 7.300 meter hoge vulkaan moet sleuren. Een skilift is er
niet, dus staat u een fikse wandeling van zo'n 45 minuten te wachten. Eens u
boven bent mag u even in de krater turen naar de opborrelende lava, waarna u
samen met 15 andere waaghalzen de 1 kilometer lange bergflank, met
hellingspercentages tot 41 graden, mag afsjezen aan goed 80 kilometer per uur.
En mag u ondertussen vurig hopen dat de Cerro Negro in zijn winterslaap blijft.
3. Wingsuiting
We beschikken intussen wel over vliegtuigen, helikopters en
ruimteveren, maar de mens heeft nog altijd geen eigen vleugels, en dat steekt
blijkbaar. Sinds de jaren '50 experimenteren waaghalzen dan ook volop door met
vleugelpakken van gebouwen en uit vliegtuigen te duiken. De eerste exemplaren,
met strakke houten geraamtes waarover een zeil gespannen werd, bleken vooral
een zegen voor de grafdelversindustrie. Maar sinds de Fini Jari Kuosma in 1998
de eerste echte wingsuit op de markt bracht, kan ook u ettelijke minuten als
een adelaar door de lucht klieven vooraleer u uw parachute opentrekt.
De hobby
Hoewel: u zal meer lijken op een vliegende eekhoorn in een
fluorescerend pakje dan op een machtige adelaar. Zo'n wingsuit is namelijk een
overall met een extra zeil tussen de benen en onder de armen. Dat levert u ook
dezelfde eigenschappen op als het schattige knaagdier: doordat er eigenlijk een
halve parachute ingebouwd zit in uw pak, valt u niet langer als een steen naar
beneden als u skydivet. Integendeel: dankzij een wingsuit kan u voor elke meter
die u valt 2,5 meter vooruit glijden.
Voor u eraan begint:
De meeste wingsuiters springen uit een vliegtuig, zoals
gewone skydivers. Maar wie echt stalen ballen heeft waagt zich aan Proximity
Flying, waarbij de wingsuiter zo dicht mogelijk langs bergwanden en boomkruinen
vliegt. Dat is uiteraard niet zonder risico: jaarlijks worden zo'n 10
waaghalzen tot pannenkoek herleid. Daarom mogen enkel ervaren skydivers - met
minstens 200 sprongen in de laatste 18 maanden achter de rug - zelfs maar een
wingsuit kopen.
Maar laat u dat vooral niet afschrikken. De resultaten zijn
namelijk verbluffend. Zo staat YouTube vol filmpjes waarin levende (!)
wingsuitlegende Jeb Corliss in Brazilië over bossen, door bergpassen, onder
watervallen, en rakelings naast het beeld van Christus de Verlosser in Rio de
Janeiro scheert. Ook de statistieken spreken tot de verbeelding. De Japanner
Shin Ito behaalde in 2011 in zijn wingsuit een topsnelheid van liefst 363
kilometer per uur - een wereldrecord waar zelfs de Lamborghini van Tom Boonen
een puntje aan kan zuigen. Een jaar later haalde Ito trouwens ook het record
voor de grootst afgelegde afstand in een wingsuit binnen, toen hij 28,7
kilometer ver door de lucht kliefde. Dat deed hij - bijzonder toepasselijk -
boven Yolo County in Californië. You only live once, inderdaad.
4. Pikdorsderby's
Vergeleken met het Amerikaanse stadje Lind, dat amper
vijfhonderd inwoners en meer koeienstallen dan cafés telt, is zelfs het
West-Vlaamse Poelkapelle een bruisende metropool. Daar wou Bill Loomis, die in
Lind een zaak voor landbouwvoertuigen uitbaatte, in 1988 per se verandering in
brengen. Loomis was het namelijk kotsbeu dat er geen bal te beleven viel in zijn
thuishaven, en besloot voor de honderdste verjaardag van het hellegat een
groots festival op te zetten. En dan liefst nog eentje waar hij zelf een
stuiver aan kon verdienen.
Loomis speelde handig in op het aangeboren verlangen van
elke Amerikaan om gemotoriseerde voertuigen tegen elkaar op te zien knallen -
zie ook NASCAR of Monster Truck Rally's - en kwam op de proppen met de Washington
Combine Demolition Derby, waar graanboeren mekaar ongenadig te lijf mochten
gaan met hun afgeschreven pikdorsers.
De hobby
De regels voor de pikdorsderby zijn eenvoudig: de piloten
beuken 15 minuten lang op elkaar in met een pikdorser van minstens 25 jaar oud,
ze moeten om de drie minuten verplicht contact maken - wegrennen zit er dus
niet in - en een helm is verplicht.
Een succesformule, zo blijkt. Sinds 1988 is de derby elk
jaar gegroeid, zodat in juni 2013 liefst 25 pikdorsers de strijd aangingen, en
maar liefst 3.500 toeristen op het evenement af kwamen. Broers Josh en Matt
Miller domineren het toernooi de laatste jaren met hun trouwe vierwieler Jaws. Hun
tactiek: zo snel mogelijk de banden van de tegenstrever platsteken. De eerste
pikdorser die immobiel is, verliest immers met knockout.
Voor u eraan begint:
Maar voor u uw cowboylaarzen aantrekt en een vlucht naar
Washington boekt, spijkert u best uw kennis van automechanica nog even bij. Een
traditionele demolition derby verloopt immers in drie rondes, en na elke ronde
krijgt u 30 minuten om kapotte banden, gebroken assen en ander verwrongen staal
zo goed en zo kwaad als u kan te repareren. Dat zal nodig zijn, want daarna
moet u meteen terug de wei in, tot u de finale haalt. Daar maakt u kans op een
hoofdprijs van 10.000 euro, maar u moet het vooral voor de eer doen: de
aankoopprijs van zo'n pikdorser kan gemakkelijk oplopen tot 100.000 euro.
Verbazend genoeg blijkt zelfs een avondje op straat in
Molenbeek gevaarlijker dan de demolition derby: hoewel de pikdorspiloten doorgaans
in slechts een jeans en T-shirt op hun vijf ton zware strijdros plaatsnemen,
vielen er in Lind nog geen doden. Enkel in 1999 was er even paniek, toen een
boer bij een harde botsing van zijn machine geslingerd werd, en bij zijn val
een been brak.
5. Geitgrijpen
Onder leiding van veldheer Dzjengis Khan veroverden de
Mongoolse ruiterhordes in de 13e eeuw het op één na grootste
imperium in de wereldgeschiedenis bij elkaar. Maar daarmee stond er natuurlijk
nog geen brood op de plank. Omdat de ruiterbendes het te druk hadden om aan
landbouw te doen, roofden ze maar gewoon geiten van lokale boeren uit
Centraal-Azië. Na verloop van tijd begonnen die stammen zich daartegen te
verzetten, zodat voor elke gestolen geit zich een halve veldslag ontspinde.
Acht eeuwen later zijn de Mongolen weg uit Centraal-Azië,
maar houden Afghanen, Kazakken, Kyrgyzen, Tadjieken, Oezbeken en Turkmenen de
traditie nog steeds in leven. Ze noemen het nu buzkashi, letterlijk
'geitgrijpen', en hebben het omgetoverd tot nationale sport.
De hobby
Buzkashi valt het best te vergelijken met polo. Beide
sporten worden te paard gespeeld, en houden in dat er een voorwerp naar een
doel wordt gegooid. Bij polo is dat voorwerp een bal, bij buzkashi is dat een
onthoofd, leeggebloed geitenkarkas.
In de traditionele variant, 'tudabarai', wordt de aftrap
gegeven door de geit in een middencirkel te leggen, waarna soms tot 500 ruiters
of 'chapandaz' op het karkas afstormen. Wie het kadaver kan meegraaien zet
koers naar het doel van de tegenstrever, dat soms kilometers ver ligt. Intussen
proberen zijn tegenstrevers met man en macht de geit af te pakken. Daarbij is
alles toegestaan: buzkashi heeft geen vastgelegde gedragsregels. Volgens de
ongeschreven erecode is het verboden de
tegenstander bij het haar te grijpen, en moeten de teugels van zijn paard
ongemoeid worden gelaten. Mekaar keihard in het gezicht meppen is echter
volkomen toegestaan.
Voor u eraan begint:
Zo'n wedstrijd kan dagenlang duren, wat veel zegt over zowel
het uithoudingsvermogen van de spelers als over het totale gebrek aan andere
vormen van entertainment in Centraal-Azië. Als u daar het geduld niet voor kan
opbrengen, ziet u misschien meer brood in de geofficialiseerde versie,
'qarajai'. Daarbij wordt het speelveld beperkt tot een oppervlakte van 1,2
vierkante kilometer, stelt elk team maximaal 5 ruiters tegelijk op, en duurt
een wedstrijd 90 minuten. Het opzet blijft wel hetzelfde: een geitenkarkas
deponeren in de doelzone, die 'de Cirkel der Gerechtigheid' genoemd wordt.
'Touchdown!' schreeuwen is optioneel, al is de kans klein dat uw teamgenoten
beseffen wat u allemaal uitkraamt.





