![]() |
| Foto: kriki.be |
INTERVIEW // Stijn Vranken, literaire duizendpoot // "Ik ben gezegend met een slecht geheugen"
Vraag Stijn Vranken (35) nooit wat hij wil bereiken met een van zijn vele projecten – het antwoord komt toch steeds op hetzelfde neer. “Ik heb geen missie”, zegt de dichter/ performer/presentator dan, “ik schrijf vanuit goesting.” Dat geldt ook voor zijn jongste spruit: Boest, een multimediaal poëzieproject van negen dichters.
Sommige mensen vinden dat Boest poëzie ontdoet van een saaie stoflaag, door ze toegankelijker te maken. Voor Vranken is dat echter geen missie, maar een evidentie. “Communicatie is het ideale gebruik van taal. Ik ben niet van plan om een gedicht vier keer te lezen en er dan nog de biografie van de auteur bij te halen voor ik het kan begrijpen. Ik moet op een eerste niveau aangesproken worden, en dan kunnen er voor mij nog veel lagen onder zitten”, huldigt de dichter de helderheid.
Georganiseerd te laat
“Het zijn tenslotte maar gedichten”, relativeert Vranken. “Poëzie is leuk, maar ze gaat de wereld niet redden.” Ook bij Eenzame Uitvaart heeft de dichter dat gevoel. In dat project engageert hij zich samen met enkele andere dichters om poëzie te schrijven voor mensen die eenzaam sterven en begraven worden. “Dat is een mooi project, maar de persoon had natuurlijk meer aan die aandacht gehad bij leven en welzijn. Het is eigenlijk extra triest omdat we altijd georganiseerd te laat zijn”, weet Vranken.
Begrafenissen in zijn omgeving vindt hij dubbelzinnig. “Dan is dichten het moeilijkste wat er is. Om een goeie tekst te schrijven moet je afstand kunnen nemen. Iedereen moet wel doen wat hij kan, want zo’n tekst helpt de nabestaanden. Maar anderzijds het levert een soort professioneel genot op.” Vergankelijk-heid behoort immers tot zijn gebruikelijke thematiek.
Samen met eeuwige tegenhanger verlangen vormde dat het hoofdthema van zijn eerste dichtbundel “Vlees Mij” (2008). “Verlangen en vergankelijkheid zijn de uitersten van een spanningsveld waartussen wij dolen van begin naar einde”, verduidelijkt Vranken. “Liefde is dan een functionele vorm van dat verlangen, een biologisch geïnstitutionaliseerde strategie om de vergankelijkheid tegen te gaan en de soort in stand te houden.”
Het is een dubbele bodem waar de dichter niet aan ontsnapt: “ik kan poëzie over kabbelende beekjes fantastisch vinden, maar het lukt mij niet vaak om zelf zoiets te schrijven.” Dat besef van vergankelijkheid maakt het Vranken makkelijker om te berusten in de eindigheid van dingen. “Maar dat wil niet zeggen dat ik daarom zelf eindes initieer”, werpt hij op. “Ik pleit er wel voor, maar ergens zit er een hardnekkigheid in mij die dat niet toelaat. Voor relaties vecht ik bijvoorbeeld lang. Ik ben voorbij de illusie dat het gras groener is aan de overkant.”
Eerder dichter
In een ver verleden was de Antwerpenaar industrieel ontwerper van beroep. “Dat was een fantastische opleiding”, getuigt Vranken, “maar na een tijd was het gewoon niet meer leuk om in een economisch-commerciële omgeving te werken. Het kost vaak maanden, jaren om iets op de markt te krijgen, en dat is dan bijna altijd een hypercompromis.” Industrieel ontwerp draait vooral om innovatie. “Ik was daar wel goed in, maar ik ben een koppige, eigenzinnige wijsneus die dat niet kan afdwingen op beleidsniveau”, is de dichter zelfbewust.
![]() |
| Foto: 30cc.be |
Hij beschouwt wat hij nu doet als downscaling. “Een gedicht is ook een product, waarbij de ontwerper in mij wil innoveren met nieuwe clichés, en ik kan er helemaal mijn eigen zin mee doen.” Of het al dan niet aanslaat, daar maakt Vranken zich geen zorgen over. “Ik zorg ervoor dat mijn werk toegankelijk en begrijpbaar is, maar voor de rest… Mijn demonen zijn uw demonen. Ik ga mijn thematiek niet aanpassen aan mijn publiek.”
Een van de hoofdactiviteiten van Stijn Vranken is De Sprekende Ezels, een maandelijks vrij podium waarvan hij presentator en bezieler is. “Eigenlijk kwam dat voort uit een impulsieve beslissing. Na het officiële programma van Zuiderzinnen goot ik mij samen met een vriend vol whisky, en beklommen we het podium”, herinnert hij zich. De Sprekende Ezels groeiden, en bestaan intussen al meer dan tien jaar.
“Ik zou zo’n impulsen vaker moeten volgen. Ik denk veel na, en daarom ben ik waarschijnlijk dichter, maar dat zorgt er ook voor dat ik dingen vaak kapot denk”, is Vranken kritisch. Als hij die impulsen volgt, is hij daar vaak tevreden over, al loopt het natuurlijk wel eens fout. “In die gevallen ben ik gelukkig gezegend met een slecht geheugen”, grijnst de dichter.
“Presenteren is echter geen ambitie van mij”, benadrukt Vranken, die het vooral als bijverdienste en leerschool ziet, want “het schenkt podiumvastheid en improvisatie-mogelijkheden.” Als het hem gevraagd wordt, noemt hij zichzelf eerder dichter. “Mijn theaterteksten of columns zijn vaak poëzie die zo lang werd dat ik er geen gedicht meer uit kon distilleren”, rechtvaardigt hij die keuze.
Afgaan
Kritiek is de dichter niet vreemd. “Van zodra je iets doet zijn er mensen die het goed vinden en mensen die het bagger vinden.” Vranken is wel in staat om daar een onderscheid in te maken. Over ongefundeerde kritiek maakt hij zich niet te veel zorgen. Kritiek die klopt komt wél aan, maar erger vindt Vranken het als hij zelf beseft dat het niet goed is. “Meestal heb je na vijf minuten al door dat het niet overkomt. Dan heb ik de hele slechte eigenschap dat ik dat niet kan overstijgen, en sta ik daar een kwartier volle bak af te gaan. Daar loop ik dan een week mee rond.”
Het liefst krijgt hij kritiek die hij nog niet hoorde. “Als men je wijst op fouten die je al kent, is dat akelig. Als men je dingen zegt die je al weet, en graag hoort, is dat eigenlijk vleierij. Maar als je het nog niet weet, kan je er iets mee”, legt Vranken uit. “Dan denk je: ‘fuck, hier moet ik voor gaan zitten.’ En dan heb je stof tot nadenken.”

