![]() |
| (Foto: wikimedia) |
Met de 23-jarige Magnus Carlsen heeft de internationale
schaakwereld een nieuwe wereldkampioen annex posterboy. Al doet Carlsen meer
hoofden draaien met zijn uiterlijk - hij klust bij als model voor
kledingfabrikant G-Star - dan met zijn excentriciteit. Dat was nochtans een
typerende kwaliteit voor een paar van zijn illustere voorgangers.
1. Paul Morphy
![]() |
| (Foto: wikimedia) |
Veel schaakkenners beschouwen Morphy nog steeds als de beste
schaker uit de geschiedenis - al ligt zijn glorieperiode al even achter ons. In
1858 droogde de 20-jarige Amerikaan op Europese toernooien zowat alle
grootmeesters af, al leverde hem dat flink wat vreemde blikken op, omdat hij
regelmatig in damesschoenen opdaagde. Dat de Amerikaan enkel voedsel at dat
door zijn moeder bereid was - hij geloofde rotsvast dat zijn stiefbroer hem
wilde vergiftigen - droeg niet bij aan zijn reputatie. Na twee jaar aan de top
besloot Morphy zich toe te leggen op zijn carrière als advocaat. Vergeefs, want
zijn cliënten wilden het met hem enkel over schaken hebben. Toch pikte Morphy
de schaakdraad nooit meer op: hij overleed op 47-jarige leeftijd aan een
beroerte, in bad, omgeven door vrouwenschoenen.
2. Aron Nimzowitch
![]() |
| (Foto: rookhouse) |
Nimzowitch wordt nu wel alom gerespecteerd als één van de
belangrijkste schaaktheoretici, maar op het hoogtepunt van zijn carrière in de
jaren '20 en '30 stond hij vooral bekend om zijn vreemde toernooigedrag.
Terwijl zijn tegenstander over een zet nadacht, begon Nimzowitch bijvoorbeeld regelmatig
naast het schaakbord te aerobiccen. En wanneer hij zelf niet kon beslissen over
een zet, vond hij er niet beter op dan even op zijn hoofd te gaan staan, om de
bloedtoevoer naar zijn hersenen te stimuleren. Al mocht hij vooral de Grote
Prijs Michel Preud'homme voor slechte verliezers op zijn palmares schrijven
toen hij in 1918 na een verloren finale op tafel sprong, het schaakbord aan
flarden trapte en zijn tegenstander toebeet: 'waarom moet ik verliezen tegen
deze idioot?!'
![]() |
| (Foto: wiztwizw) |
3. Alexander Alekhine
In 1927 kroonde de 35-jarige Alexander Alekhine zich tot de
vierde wereldkampioen uit de schaakgeschiedenis. Het begin van een gouden
periode voor de Rus - waarin hij ook vier keer hertrouwde, telkens met vrouwen
die zo'n 30 jaar ouder waren - tot zijn alcoholverslaving roet in het eten
gooide. Plots begon de grootmeester tijdens toernooien plasjes te maken in een
hoek van de zaal. Dat hij zijn titel toch behield tot aan zijn dood in 1946,
had meer te maken met WOII dan zijn schaakprestaties. De Nazi's lieten hem
immers zijn gang gaan, omdat hij op verzoek antisemitische literatuur
neerpende, waarin hij schreef dat Joden defensief schaakten, als lafaards,
terwijl Arische spelers agressief en moedig schaakten.
4. Bobby Fischer
![]() |
| (Foto: guardian) |
Fischer schopte het op 15-jarige leeftijd al tot jongste
grootmeester ooit, en verliet prompt de middelbare school. 14 jaar later, in
1972, won hij op het hoogtepunt van de Koude Oorlog het WK tegen Sovjetgrootmeester Boris Spassky.
Fischer werd op slag een held in de VS, maar begon zich tijdens de volgende
jaren steeds onhebbelijker te gedragen. Hij raakte ervan overtuigd dat de
schaakbond de Russen systematisch bevoordeelde, en verwijderde de vullingen uit
zijn tanden omdat hij dacht dat de Russen hem zo afluisterden. Sinds 1975
leidde hij een kluizenaarsbestaan, tot hij in 1992 opdook voor een rematch tegen
Spassky. Omdat hij dat in Joegoslavië deed - dat op dat moment onder economisch
embargo stond - vaardigde de VS meteen een arrestatiebevel uit.
De laatste 16
jaar van zijn leven was Fischer op de vlucht, en haalde hij enkel nog het
nieuws met antisemitische tussenkomsten in radioprogramma's en
tijdschriftartikels. Zo vond hij dat VS geleid werd door 'besneden joodse
bastaarden met haakneuzen', en noemde hij de aanslagen van 11 september 2001
'fantastisch nieuws'. Vandaag noemt Carlsen hem 'zijn grote voorbeeld'. Dan
heeft hij nog een flinke weg af te leggen.




