![]() |
| In café Tam Tam kijkt men zowel naar de Bundesliga als naar de Jupiler League. (Foto NDL) |
In Eupen staat de maand mei in het teken van het voetbal. In de eindronde van de Belgische competitie vecht de plaatselijke voetbalclub AS Eupen voor het behoud in eerste klasse. Als de Panda’s – de clubkleuren zijn zwart en wit – erin slagen Lommel, Waasland en Bergen achter zich te houden, blijven ze nog een jaar in de Jupiler League. En blijft de Duitstalige Gemeenschap nog even in the picture.
Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.'
Helemaal aan het eind van de Klötzerbahn – zo’n beetje de Wetstraat van de Duitstalige Gemeenschap (DG) – staat café Tam Tam, hét supporterscafé van AS Eupen. Er hangt een Belgische vlag buiten, maar de barman, die zelf Duitser is, weet niet waarom: het is zijn café niet. Het nut van de twee breedbeeld flatscreen-tv’s aan de muur kent hij wel. “Daarop tonen we elke week de wedstrijd van Eupen, en dan is het hier feest. Maar op zondagmiddag, als we de Bundesliga uitzenden, zit het café ook vol, hoor.” Het verraadt meteen het pragmatisme van de Duitstalige Belgen: ze supporteren voor hun lokale trots, maar het mooiere voetbal van de Oosterburen pikken ze even gretig mee.
Teevee
Rivaliteit
Bestsellers
Sandwich
VERDEELDE MENINGEN
Toenemend conflictrisico
Generatiekloof: zichtbaarheid of autonomie?
Bevoegdheden OK, maar dan stil zijn
België barst? Naar Luxemburg!
Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.', die eveneens gepubliceerd werd op de nieuwswebsite Apache.be »
Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.'
Helemaal aan het eind van de Klötzerbahn – zo’n beetje de Wetstraat van de Duitstalige Gemeenschap (DG) – staat café Tam Tam, hét supporterscafé van AS Eupen. Er hangt een Belgische vlag buiten, maar de barman, die zelf Duitser is, weet niet waarom: het is zijn café niet. Het nut van de twee breedbeeld flatscreen-tv’s aan de muur kent hij wel. “Daarop tonen we elke week de wedstrijd van Eupen, en dan is het hier feest. Maar op zondagmiddag, als we de Bundesliga uitzenden, zit het café ook vol, hoor.” Het verraadt meteen het pragmatisme van de Duitstalige Belgen: ze supporteren voor hun lokale trots, maar het mooiere voetbal van de Oosterburen pikken ze even gretig mee.
“Natuurlijk hopen we dat Eupen in eerste klasse blijft. De club heeft toch een grote rol gespeeld in de promotie van de streek. Sinds de club in de hoogste afdeling speelt zien we in het café ook veel meer journalisten, al kan dat natuurlijk andere redenen hebben,” zegt tooggast Karl Rhode, terwijl hij schalks wijst op zijn Eupener Bier. “Al zou het toch gemakkelijker zijn om je met de ploeg te identificeren als er meer jongens van hier bij waren.” Er heerst wel wat scepsis over de club, weet Rhode. “Veel mensen hadden liever een uitbreiding van het lokale zwembad gezien. Nu is al dat geld naar de uitbreiding van het stadion gegaan.”
Hubert Streicher: "De Duitstaligen zien België liever niet barsten."
Karls achternaam verraadt zijn Britse wortels, maar hij bracht het grootste deel van zijn leven in Duitsland door. Tenminste, tot hij zich net als vele andere Duitsers in de Duitstalige Gemeenschap kwam vestigen. Vandaag zijn ze met 10.000. “Daar zijn veel televisiepersoonlijkheden en Bundesligavoetballers bij,” weet Rhode. “Omdat het hier goedkoper is, denk ik.” Niet dat er enkel voordelen aan verbonden zijn. “Wij kijken hier nauwelijks naar de Waalse televisie, en toch betalen we kijk- en luistergeld. Dat moeten jullie niet doen zeker, in Vlaanderen?”
Zoals veel Duitstalige Belgen kijkt Rhode eerder naar het Duitse Das Erste dan naar het Waalse La Une. Nochtans hebben de Duitstalige Belgen ook hun eigen zender: de Belgischer Rundfunk (BRF). Veel valt daar echter niet op te zien – enkel een journaal dat om het uur herhaald wordt. De lus start om kwart voor zes, maar om twintig voor staat de tv van Hubert Streicher al aan. “Ik kijk vooral naar de Duitse televisie, maar dat kwartiertje BRF wil ik toch niet missen. De meeste mensen hier volgen trouwens ook het Waalse én het Duitse nieuws. Ze kennen Leterme dus minstens even goed als Merkel,” knipoogt de oud-leraar.
Streicher groeide op in het zuidelijke Sankt Vith, met zijn uitgestrekte bosvlaktes en weidelandschappen, maar woont nu in Eupen, de dichter bevolkte hoofdstad van de DG. “De mentaliteit van het zuiden is heel anders dan in Eupen. De gemeenschappen zijn ook anders gegroeid: ze worden afgesneden van elkaar door de Hoge Venen. In Sankt Vith zijn ze bijvoorbeeld veel meer op Luxemburg gericht, terwijl de Eupenaren eerder naar Duitsland kijken.”
Er is ook een zekere na-ijver tussen beide kantons. Zo lachten de Eupenaren groen toen een hoogtechnologische scanner niet in hun ziekenhuis, maar in het veel kleinere hospitaal van Sankt Vith belandde. “Je moet dat natuurlijk in zijn context zien,” zegt Streicher. “Daar beneden in de Eifel hadden ze zulke technologie helemaal niet – zelfs niet in Duitsland of Luxemburg. Bovendien staan de Eupenaren sneller in Verviers of Aken ,waar ze ook zo’n scanner hebben, dan dat de Sankt Vithenaren de Hoge Venen over zijn.”
De rivaliteit is eerder speels, volgens Streicher. “In Eupen noemen ze die van Sankt Vith bijvoorbeeld ‘Mottes’, omdat het Duitse ‘mit’ in hun Platduitse dialect klinkt als ‘mot’. Eupenaren worden dan weer ‘Schmalzbären’ (smoutberen, red.) genoemd, naar de smout die ze in hun haar wreven, omdat ze geen geld hadden voor brillantine. Maar fundamenteel wordt die scheiding nooit.” Of toch: bij een splitsing van België zou Sankt Vith eerder naar Luxemburg gaan, terwijl Eupen eerder naar Duitsland zou trekken. “Dat is omdat het gros van de mensen over de grens werkt,” weet Streicher. “Maar de mensen hebben liever dat België niet barst.”
| Er valt geen peil te trekken op het leesgedrag van de Duitstaligen. "Ik denk dat we nog het dichtst bij Luxemburg aanleunen," zegt Gerd Kirsch. (Foto NDL) |
Dat de twee kantons nauwelijks een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, blijkt ook in het stadsmuseum van Eupen, waar het zuidelijke broertje niet vernoemd wordt. Van de Duitstalige Gemeenschap ook niet, overigens: op de grote tijdslijn die de muren van het museum siert is er geen sprake van de oprichting van het Duitse taalgebied of de eerste Duitstalige regering, maar wel van de bouw van het stedelijk zwembad. Geschiedenis wordt vooral lokaal beleefd in de DG. Ook de twee Wereldoorlogen worden nauwelijks vermeld. Die maken deel uit van een verleden dat verdrongen moest worden.
Hoewel: de interesse in het oorlogsverleden groeit gestaag, zegt Gerd Kirsch, die boekhandel Idea uitbaat, recht tegenover het stadsmuseum. In zijn etalage staat Belgien Im Fokus, een boek van Anne Begenat-Neuschäfer over de geschiedenis van België en zijn Duitstalige Gemeenschap. “Boeken over de oorlog doen het de laatste tijd steeds beter. Auteurs als Carlo Lejeune hebben dat een beetje uit de verdomhoek kunnen trekken.”
“Doorgaans valt er echter geen peil te trekken op welke boeken het goed zullen verkopen,” zucht Kirsch. “Bestsellerlijsten werken hier absoluut niet. Kleppers uit Duitsland kan je hier soms aan de straatstenen niet slijten. En soms piekt de verkoop pas maanden nadat het boek uitkwam,” weet Kirsch. “Aan de promotie kan het nochtans niet liggen, want die krijgen de mensen via dezelfde kanalen binnen. Volgens vertegenwoordigers die de ganse Benelux aandoen, leunen we qua voorkeuren nog het dichtst aan bij Luxemburg.”
Boeken over het autonomiestreven van de Duitstalige Gemeenschap vind je niet in de winkel van Kirsch – er zijn er ook nauwelijks. “De meeste Duitstaligen staan er kritisch tegenover. Wij zijn trots op onze taal en willen die ook vrijwaren, maar we vragen ons af of we daarvoor vier ministers nodig hebben.” Ook over de rol van minister-president Karl-Heinz Lambertz (SP) in de kwestie zijn de meningen verdeeld, weet Kirsch. “Hij is een geniaal strateeg, en hij heeft heel veel gedaan voor de Duitstalige Gemeenschap, maar ik heb de indruk dat de autonomie vooral de dada van meneer Lambertz geworden is. De bevolking volgt niet echt.”
Die indruk is ook Werner Miessen toegedaan. Hij houdt zich als hobbyist bezig met het verzamelen van alles wat er over de DG verschijnt – van studies over boeken tot tijdschriftartikels – en brengt dan ook veel tijd door in het Staatsarchief van Eupen. En neen, dat is geen Reichsarchiv naar analogie met het Rijksarchief in Vlaanderen: sinds de jaren ’40 van de vorige eeuw horen ze dat woord hier niet meer graag.
“In de jaren ’70 waren vooral diegenen die cultureel geëngageerd blij met de autonomie. Die heeft hen veel subsidies opgeleverd,” legt Miessen uit. “Zonder autonomie zouden er ook geen twee grote ziekenhuizen in de regio zijn, geen eigen media, minder sportief leven… Maar nu interesseert het de mensen minder. Tot hier toe is de regering ook altijd een beetje Père Noël geweest, maar als ze belastingen zouden beginnen heffen, zullen de mensen wel afhaken.”
Miessen is overigens, net zoals zowat alle andere Duitstalige Belgen, perfect tweetalig. Met de taalfaciliteiten die er in de Duitstalige Gemeenschap voor Franstaligen voorzien zijn, is er dan ook geen enkel probleem, zegt Miessen – al begrijpt hij de verzuchtingen van de Vlamingen in de Brusselse Rand wel. “Volgens mij zijn de Franstaligen hier nederiger dan daar. Ze zijn ook met minder. Veel Duitstaligen praten dan ook Frans met hen uit een soort van medelijden.” Met de 10.000 Duitsers die in de DG wonen, is er meer wrevel. “Diegenen die geïntegreerd zijn, zijn dat voor de volle 150 procent. Maar velen komen hier gewoon slapen. Ze zijn ook rijker, arrogant en – typisch Duits – veel te correct.”
Daarmee raakt Miessen onbewust de kern van de identiteit van de Duitstalige Belgen aan. Ze zijn gesandwicht tussen Wallonië en Duitsland, maar zetten zich tegen beide af. Ze onderscheiden zich van de Walen door hun meertaligheid en van de Duitsers door hun Bourgondische Belgische mentaliteit. Ze klampen zich nog steeds vast aan België, maar komen steeds meer voor hun eigen identiteit uit. Die tussenpositie wordt misschien wel het best geïllustreerd door een uitspraak van Joseph Maraître, voormalig minister-president van de Gemeenschap: “Mijn naam is Belg, mijn voornaam Duitstalige.” En dat zal niet gauw veranderen.
Anneleen Vanden Boer doctoreerde eind februari 2011 aan de KU Brussel met een scriptie waarin ze de positie van Duitstalige Belgen in het Belgische federale systeem onderzocht. Daarvoor vergeleek ze de meningen van de Duitstaligen met die van Frans- en Nederlandstaligen. Vier van haar belangrijkste bevindingen op een rijtje.
Bij hoogopgeleide jongeren met een afgezwakte Belgische identiteit worden de meningen radicaler. Dat geldt voor alle taalgroepen, en zorgt voor een verhoogd conflictpotentieel.
Anneleen Vanden Boer: “Dat wil natuurlijk nog niet meteen zeggen dat er een open conflict komt waarbij mensen slaags raken. De Duitstaligen zullen vooral meer met de vuist op tafel slaan indien ze bijvoorbeeld vergeten worden bij de staatshervorming. Ook het belangenconflict dat de Gemeenschap inriep rond de kwestie Brussel-Halle-Vilvoorde is daar een voorbeeld van: daar wilden ze tonen dat zij er ook nog zijn.”
Oudere Duitstalige Belgen vragen nog steeds meer autonomie, terwijl jongeren in de Gemeenschap meer waarde hechten aan politieke zichtbaarheid.
Vanden Boer: “Voor de oudere bevolking is die autonomie een soort van beschermingsmechanisme. Ze hebben dat ook nodig wegens hun geringere taalkennis. De jongere generatie ziet de autonomie meer als vanzelfsprekend. Wat hen vooral frustreert is dat ze over het hoofd gezien worden in de politiek en de media. Zij gaan ervan uit dat als hun zichtbaarheid daar verhoogt, die autonomie wel zal volgen.”
De meeste Nederlands- en Franstaligen zijn ervoor te vinden de DG alle gewestelijke bevoegdheden te geven. Maar daar staat wel een verminderde verdraagzaamheid voor de Duitstalige eisen tegenover.
Vanden Boer: “Voor velen is de Duitstalige Gemeenschap een ver-van-mijn-bed-show. Daarom gunnen ze de Duitstaligen best wel een comfortabele positie binnen de federale structuur, maar verder worden ze er liefst niet te veel mee lastiggevallen: ze hebben tenslotte niet te klagen.”
De Duitstalige Belgen zouden massaal voor Luxemburg kiezen (45,1%) ingeval van een splitsing van België. Desnoods opteren ze voor een onafhankelijke staat (20,6%), maar alles liever dan bij Wallonië blijven (11,1%).
Vanden Boer: “Op die vraag suggereren veel Duitstaligen zelf een antwoord: Eupen naar Duitsland en Sankt Vith naar Luxemburg. Dat is illustratief voor de verschillen tussen beide kantons. Maar liefst van al zien ze België niet splitsen, natuurlijk.”
Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.', die eveneens gepubliceerd werd op de nieuwswebsite Apache.be »
