Labels

Wallonië-kenner Guido Fonteyn:
'De Duitstalige Gemeenschap is de
toetssteen van de staatshervorming,
het schoolvoorbeeld van hoe je
minderheden in een land moet behan-
delen' (Foto NDL)


De Vlaamse ontvoogdingsstrijd gaat al sinds de geboorte van België gepaard met bloed, zweet, en vooral veel tranen. Maar dat het ook anders kan, bewijst de Duitstalige Gemeenschap van ons land. Haast onopgemerkt profiteerden ze staatshervorming na staatshervorming mee van het communautaire opbod tussen Vlamingen en Walen. En zo kwamen ze nagenoeg geruisloos tot het statuut van een van de best beschermde minderheden van de wereld.


Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.'

De Duitstalige Gemeenschap (DG) van België, dat zijn 75 000 inwoners op een gebied van 854 vierkante kilometer groot. Vergelijkbaar met de bevolking van Kortrijk, uitgesmeerd over tien keer de oppervlakte van de stad. En toch hebben ze hun eigen taalgebied, een eigen parlement en een regering. Ze hebben een gegarandeerde zetel in het Europees parlement, en zijn bevoegd voor de inrichting van hun eigen onderwijs. En dat is hen allemaal zomaar in de schoot gevallen, zegt Guido Fonteyn, Walloniëkenner en auteur van het boek Grensgebied: Van Voeren tot Sankt Vith.

In 1962 werd België namelijk opgedeeld in taalgebieden. Sindsdien zijn de benamingen “Oostkantons” en “Eupen-Malmedy” overigens niet langer correct: Malmedy belandde in het Franse taalgebied. Dat de Duitstaligen toch nog een eigen gebied kregen, was echter geen tegemoetkoming aan de eisen van de bevolking. “Het was eerder een kwestie van wetenschappelijke eerlijkheid vanwege de Vlaamse en Waalse onderhandelaars. Ze respecteerden de resultaten van het Harmelcentrum, dat tien jaar lang de taalsituatie in België onderzocht,” legt Fonteyn uit. “De vraag kwam dus niet expliciet vanuit Duitstalig België.”

 Primeur 

Integendeel. In zijn boek De Laatste Belgen: Een geschiedenis van de Oostkantons schrijft historicus Selm Wenselaers dat de oprichting van het Duitse taalgebied voor sommige Duitstalige politici pure horror was. Zo riep CSP-politicus Albert Baltus zelfs verschrikt uit dat “autonomie aan de voordeur van het separatisme staat.” 

Toch zouden de Duitstaligen al gauw beseffen dat ze moesten opkomen voor hun plaats in België. Toen Belgisch minister van Binnenlandse Zaken Alfons Vranckx in 1965 te weten kwam dat Hubert Mießen tijdens de Tweede Wereldoorlog nog als Zwangsoldat (iemand die gedwongen ingelijfd werd bij de Wehrmacht – vaak werden deze soldaten naar het Oostfront gestuurd, red.) had gediend, weigerde hij hem te benoemen tot burgemeester van Eupen. Op dat moment waren er geen Duitstaligen in het parlement die de zaak konden aankaarten in Brussel. Sindsdien weerklinkt de eis om gewaarborgde vertegenwoordiging in Kamer en Senaat steeds luider.
Oliver Paasch (ProDG): "Met de vraag om extra bevoegdheden maak je in de DG het verschil niet meer."
In 1970 rolde er een nieuwe appel uit de kast voor de Duitstaligen toen de ontvoogdingsstrijd van de Vlamingen uitmondde in de oprichting van de Cultuurgemeenschappen. De leden van de Duitstalige Cultuurgemeenschapsraad werden zelfs rechtstreeks verkozen – een primeur waarop de grotere tegenhangers nog meer dan twintig jaar zouden moeten wachten.

Maar opnieuw luidden enkele politici de alarmbel. CSP’er Willy Schyns noemde de evolutie toen “een stap terug,” en uitte zijn vrees voor “een Kulturkampf zoals ten tijde van Bismarck.” De angst voor de demonen van het interbellum had diepe wortels bij veel politici van de Christlich Soziale Partei.

 Auteursrecht 

Dat leidde ertoe dat ongenaakbaarheid van de CSP in Oost-België stukje bij beetje begon af te brokkelen. Terwijl de christelijke partij in 1965 nog 65 procent van de stemmen haalde, bleven ze drie jaar later op 52 procent steken. De CSP was niet langer de beste verdediger van de Duitstalige belangen, en in 1971 zag de Partei der deutschsprachige Belgier (PDB) het levenslicht. “Het is vergelijkbaar met hoe de Volksunie voortkwam uit de CVP,” zegt burgemeester van Kelmis en Europarlementariër Mathieu Grosch (CSP). “Wij vonden dat er meer geduld nodig was, dat het moment niet rijp was om meer bevoegdheden voor de Duitstalige Gemeenschap te vragen. Maar binnen de partij was er een groepering die onmiddellijk meer autonomie wou eisen. En zij hebben het nest verlaten.”

Enkele politici van andere partijen stapten ook over naar de nieuwe partij, en bij de nationale verkiezingen behaalde de PDB onmiddellijk 20 procent van de stemmen in de DG. Ook Guido Fonteyn ziet de parallel met de Volksunie. “Net als de VU was de PDB een echte zweeppartij, die een voortrekkersrol speelde bij de vraag om meer zelfbeschikking voor de Duitstaligen.” 33 jaar lang bleef het daar echter bij. In 2004 trad de PDB voor het eerst toe tot de regering, maar dat sprookje duurde niet lang. In 2006 werden ze compleet weggeveegd bij de gemeenteraadsverkiezingen.

De steun bleef afkalven, en drie jaar later gooide de partij definitief de handdoek in de ring. Hoe belangrijk ze geweest was voor de DG, illustreerde Edmund Stoffels, voorzitter van de Sozialistische Partei (SP), in een afscheidsrede voor de PDB: “Velen zien zichzelf vandaag als architecten van de autonomie, maar het auteursrecht behoort de PDB toe.” Net als de Volksunie in Vlaanderen, ging de partij ten onder omdat haar vooropgezette doelen bereikt waren, en ze geen nieuw politiek project vond.

 Consensus 

Zoals de VU verder leeft in de N-VA, liet ook de PDB een politieke nazaat na met de Pro deutschsprachigen Gemeinschaft (ProDG), hoewel voorzitter Oliver Paasch daar graag een kanttekening bij maakt. Hij is minister van Onderwijs in de DG – een post die hij in de vorige legislatuur nog voor PDB bekleedde – en zijn vader, Lorenz Paasch, was een van de boegbeelden van de PDB. “Als je ons partijprogramma met dat van de PDB vergelijkt, zijn er veel overeenkomsten. Maar ik zou niet meer durven zeggen dat wij nog een regionalistische partij zijn,” zegt Paasch.

Oliver Paasch (ProDG): "Wij zijn capabel om
grote dossiers te beheren." (Foto NDL)
“We hebben natuurlijk onze eisen op vlak van autonomie,” gaat de minister door, “maar in 1998 stelde de Duitstalige Gemeenschap een eisenpakket op dat vergelijkbaar is met de Vlaamse resoluties van 1999 (principes die de positie van Vlaamse partijen bij communautaire onderhandelingen bepalen, red.). Die zijn met unanimiteit gestemd in het parlement, en sindsdien maak je hier met de vraag om meer bevoegdheden het verschil niet meer. Die Allparteikonsens (consensus van alle partijen, red.) is trouwens ook heel belangrijk naar andere partijen toe: zo kunnen we echt naar buiten treden als gemeenschap. Als we allemaal door elkaar praten, wordt die boodschap minder sterk.”

Dat had Leo Tindemans in 1971 al in de gaten. “Ik wil de Duitstalige Gemeenschap de raad geven om de grootst mogelijke eenheid te tonen”, zei de CVP’er toen. “De vijanden van jullie cultuur zullen zich gelukkig prijzen als jullie positie nog verder verzwakt wordt door interne twisten en tweespalt.” Tindemans nam de belangen van de Duitstaligen in Brussel dan wel ter harte, maar toen Wilfried Martens in 1980 de tweede grote staatshervorming realiseerde met de oprichting van een Vlaams en Waals Gewest, was er van de Duitstaligen geen spoor te bekennen. Zij belandden onder Waals bewind. 

 Manna 

Dat betekende meteen het startschot voor de tweede rode draad door het Duitstalige autonomiesteven, zegt Guido Fonteyn. “Vroeger leefde bij de bevolking vooral de slogan ‘Los von Lüttich’. Nu is dat meer en meer ‘Los von Wallonien’. Dat vormt ook het programma voor de komende jaren: ze willen een eigen gewest met heel eigen kenmerken.”

“Vijftien jaar geleden zou dat haast onmogelijk geweest zijn,” weet Oliver Paasch. “Maar uit het rapport van Didier Reynders (in februari schreef de toenmalige MR-voorzitter in zijn informatierapport dat meerdere Belgische partijen nadachten over een “België met vier”, red.) blijkt dat wij toch serieus genomen worden als federale entiteit.” Dat hebben de Duitstaligen ook deels zelf afgedwongen, vindt Paasch. “Het is een kwestie van vertrouwen creëren. Zo kreeg de DG in 1988 de bevoegdheid over het onderwijs, en daarin hebben wij kunnen tonen dat wij capabel zijn om ook grote dossiers te beheren.”

Die onderwijsbevoegdheid kwam er in het kader van de derde grote staatshervorming. Dat was echter ook een van de laatste keren dat de bevoegdheden als manna uit de lucht vielen. Federale eerste ministers Jean-Luc Dehaene (CD&V) en Guy Verhofstadt (Open VLD) hielden zich mijlenver van het debat rond meer autonomie voor Duitstalige Belgen. Voor hen was het puur een zaak tussen Walen en Duitstaligen. Sindsdien worden er dan ook – met succes – onderhandelingen gevoerd tussen die twee entiteiten. In 2005 sloeg de Duitstalige Gemeenschapsregering haar grootste slag, toen ze de voogdij over de gemeenten kon afsnoepen van het Waals Gewest. 

Maar de weg naar een eigen gewest lijkt nog steeds meer op de processie van Echternach dan op een – excusez le mot – Blitzkrieg. Het autonomiestreven van de DG heeft zich bovendien altijd in de schaduw afgespeeld, verdrongen van het voorplan door de clash tussen Vlamingen en Walen. Hoewel: sinds februari 2011 lijkt het alsof er verandering komt in het politieke klimaat. Zo was er de nota van Didier Reynders, maar ook het gastcollege van Johan Vande Lanotte (sp.a) aan de universiteit van Gent, waarbij de voormalige koninklijk bemiddelaar het had over de mogelijkheid van een Belgische Unie met vier – en dus met de Duitstalige Gemeenschap als aparte entiteit.

De tijd lijkt dan ook rijp voor een nieuw rondje bevoegdheidsuitbreidingen, vindt ook Guido Fonteyn. “Dat is onder andere de vrucht van de inspanningen van minister-president Karl-Heinz Lambertz (Sozialistische Partei), die in de Vlaamse media steeds meer zegt wat ik in de DG al heel lang hoor: dat de Duitstaligen op termijn een eigen gewest willen. Het past ook in de Belgische federale logica: de Duitstalige Gemeenschap is de toetssteen van de staatshervorming, het schoolvoorbeeld van hoe je minderheden in een land moet behandelen. Het is dus echt nu of nooit.”


SCHAAL

Paul Van Orshoven twijfelt
aan de draagkracht van
de DG. (Foto Humo)
Niet iedereen is even enthousiast over de autonomieaanspraken van de Duitstalige Gemeenschap. Hoogleraar publiekrecht aan de Katholieke Universiteit van Leuven Paul Van Orshoven twijfelt onder andere aan de draagkracht van de gemeenschap.

“Het gaat hier tenslotte om een volkje van 75 000 mensen. Eén van de principes van federalisme is dat er een zekere schaal nodig is om een bepaalde verantwoordelijkheid te kunnen opnemen. Als ze zeggen dat ze al die bevoegdheden kunnen beheren: zoveel te beter. Maar ze moeten mij wel eerst overtuigen. De Duitstalige Gemeenschap komt bijvoorbeeld ruimschoots toe met haar middelen voor onderwijs, maar één van de redenen daarvoor is dat zij geen universitair onderwijs voorzien. En dat is maar logisch ook, want voor 75 000 inwoners kan je geen universiteit oprichten – die gaan allemaal naar Luik of naar Aken.”

“Ik weet ook niet of een België met vier de staatsstructuur zo veel gemakkelijker zou maken. België is geen zaak van twee Goliaths tegen elkaar – er wordt geen enkele beslissing genomen waarbij elk gewest een stem heeft. De grote tegenstellingen tussen Walen en Vlamingen zouden er wel door gerelativeerd kunnen worden, maar dat principe zit nu al vervat in de gemeenschappen, en van de pacificerende werking van die derde gemeenschap heb ik nog niet veel gemerkt.”

“Laat er geen twijfel over zijn: dat men de Duitstalige Gemeenschap haar bevoegdheden gegeven heeft als gemeenschap, was een kwestie van consequentie. Maar of het nu verstandig is om die bevoegdheden ook door te trekken op het regionale vlak, is mij niet helemaal duidelijk. Het komt allemaal neer op het gelijkheidsbeginsel: gelijke toestanden moet je gelijk behandelen, maar je mag niet aarzelen om ongelijke toestanden ongelijk te behandelen. De Duitstalige Gemeenschap is heel verdienstelijk, maar qua schaal is ze te vergelijken met een provinciestadje. En dat moet niet op hetzelfde niveau staan als Vlamingen en Walen.”


Deze reportage maakt deel uit van de artikelenreeks 'De nieuwste Belgen. De Duitstalige Gemeenschap, en hoe zij langzaam uit de schaduw treedt.' en verscheen ook op de nieuwswebsite Apache.be »