Labels

RECENSIE // The Imaginarium of Doctor Parnassus // Narnia op speed



Heath Ledger is dood, leve Heath Ledger. Tijdens de opnames van The Imaginarium of Doctor Parnassus overleed de jonge ster, zodat regisseur Terry Gilliam na de fiasco’s The Brothers Grimm (ruzie met de producers) en The Man Who Killed Don Quichote (hoofdrolspeler met een hernia) weer met de handen in het haar zat. Maar met de hulp van wat vrienden sleepte hij de tweede postume Ledger-film uit de brand.

De doctor uit de titel (Christopher Plummer) blijkt al gauw een moderne Faust te zijn. Honderden jaren geleden sloot de onsterfelijke doctor immers een pact met de duivelse Mr. Nick (Tom Waits): Parnassus kreeg de vrouw van zijn dromen, als de duivel maar zijn dochter kreeg op haar zestiende verjaardag.

 Piraat met een rumverslaving 

De zaken gaan slecht voor Parnassus’ kermiskraam. Telkens hij mensen in zijn Imaginarium wil lokken – een soort Narnia zoals The Beatles het ten tijde van Yellow Submarine zouden beleefd hebben – gaat het fout. Maar toevallig (toch?) stoot Parnassus onder een Londense brug op de gehaaide gehangene Tony (Heath Ledger). Met gewiekste pr-trucs updatet die de aftandse barak waarmee Parnassus brood verdient. Mr. Nick verleidt Parnassus tot een laatste weddenschap: om het eerst vijf zielen winnen. Een race tussen goed een kwaad, met als belangrijkste inzet Valentina (Lily Cole), de inmiddels bijna zestienjarige dochter van de doctor.

Dat belooft echter een lastige opdracht te worden. In de decadente noughties luisteren de mensen immers niet meer naar zijn verhalen, en haalt de duivel steeds makkelijker zielen binnen. Bovendien is het moeilijk geen sympathie op te brengen voor een Tom Waits in de rol van zijn leven – elke stap die hij zet is een halve jive, elk woord dat hij spreekt een halve slagzin. Ledger beperkt zich dan weer tot strompelen en wartaal, en doet daarbij verdacht hard denken aan een zekere piraat met een rumverslaving en een ongezonde fascinatie voor Keira Knightley.

Een voorbode van wat kwam, misschien. Na Ledgers dood moest regisseur Terry Gilliam op zoek naar een oplossing – geen Heath, geen centen – en die vond hij in de vorm van het trio Johnny Depp, Jude Law en Colin Farrell, drie goede vrienden van Ledger die zijn werk wel wilden afmaken. Zij spelen elk om beurt Tony wanneer die in het Imaginarium verzeilt, waarbij vooral Farrell in positieve zin verrast.

 Zoutloze aanloopjes 

Terry Gilliam toonde bij Monthy Python en met Fear and Loathing in Las Vegas (1998) al dat hij een bijzondere aanleg had voor absurde, fantasierijke werelden waarin personages kunnen wegvluchten als het nodig is, en grijpt ook hier terug naar dat succesrecept. In het Imaginarium zit een wereld verscholen die zichzelf modelleert naar de fantasieën en verlangens van diegene die erin rondwaart, wat resulteert in gigantische schoenen, eindeloze ladders en een schouderklopje van de president.

De scènes achter de spiegel zijn dan ook een regelrechte lust voor het oog, maar zo wordt het alleen maar duidelijker dat de film wat plat valt als de hele bende zich weer in het grauwe Londen bevindt. Zowel de dialogen als het camerawerk zijn weinig spectaculair, en de scènes lijken zoutloze aanloopjes naar de visuele gekheid die ons in het Imaginarium te wachten staat.

Maar hoe fascinerend de werelden die Terry Gilliam creëert ook zijn, de schaduw van Heath ledger blijft als een lijkwade over deze film gedrapeerd. Omdat de prent (onbedoeld) bol staat van de referenties naar zijn vroegtijdige overlijden, omdat je voelt dat hij hiermee zijn pas verworven status van cultacteur wou consolideren, en helaas ook omdat je merkt dat er nog veel meer in Ledger zat dan deze Tony. Van de doden niets dan goeds, maar het valt te betwijfelen of Ledger hiervoor een tweede postume Oscar in de wacht sleept. Wéér pech voor Gilliam.