COLUMN // Hoe de geit de non vergatDe federale verkiezingen van 10 juni 2007 waren op zijn minst historisch te noemen. Nooit eerder ging één man met 800 000 stemmen lopen. Zijn partij, die acht jaar daarvoor nog uitgeteld in de touwen hing na jaren van onafgebroken bewind – kapot geregeerd, heette dat – had hij samen met zijn twee trouwste kompanen een nieuwe naam gegeven, met de daarbij horende nieuwe accenten. Samen met hun kartelpartner, voor wie ze door een vuur zouden gaan, zouden ze in vijf minuten politieke moed de puinhopen van paars opruimen, en Vlaanderen – pardon, België – goed besturen.
We zijn nu bijna twee jaar verder, en de regering is nog maar vier maanden aan het werk. De vernieuwer ligt nu zelf in de touwen, het onfeilbare kartel is een puinhoop en de luitenanten blijven gedesillusioneerd achter in de coulissen. Diegenen die zichzelf in de jaren negentig onmogelijk maakten moeten nu de kastanjes uit het vuur halen, terwijl de dauphin van de grote leider zich nu ook in alle stilte vast rijdt in het Grote Probleem: de communautaire dialoog. Hoe kan het dat iemand die maar liefst 800 000 stemmen achter zich krijgt maar geen regering op de been krijgt? De reden spreekt Frans, en heeft een eergevoel.
De informatieopdracht was zoals gewoonlijk voor een Waal. Deze keer was het niet die met zijn strikje, maar dat konijn. De formateur waagde vervolgens een voorzichtige poging, tot hij via verkenners en loodgieters bij dat andere konijn terechtkwam, waarna hij uiteindelijk tóch aan het roer kwam, in één van de meest wankele regeringen ooit. Het cynisme en de verzuring waren duidelijk merkbaar: op elk voorstel kreeg de aspirant-premier een welgemeend “non”, hoe hard hij ook probeerde. Ten slotte kreeg een dinosaurus de opdracht snelsnel een kabinet op de been te brengen, en slaagde daar wonderwel in – weliswaar pas na het overboord gooien van alle Flaminganten.
Compromisangst
In de strijd om hun eigen gemeenschap laten partijen zich meesleuren in een opbod, waarbij steeds minder rekening gehouden wordt met de realiseerbaarheid van die voorstellen. Er is immers ook nog een andere gemeenschap, die óók beloftes doet aan haar kiezers, en ook daar is er een opbod. Na de verkiezingen krijg je dan twee partijen die pyrrusoverwinningen behaalden. Het minste compromis is dan immers een slag in het gezicht van het zo moeizaam verworven electoraat.
Natuurlijk zijn onze politici niet dom. Ook zij weten dat het zo niet verder kan. En ja, er zijn oplossingen voor. Zo staat de invoering van een federale kieskring al jaren stiekem op de politieke agenda. Zo’n kieskring zou automatisch de visies van de gemeenschappen met elkaar gaan confronteren. De kiezer zal niet langer een unisono retoriek horen die de andere gemeenschap met alle zonden Israëls belaadt, maar een debat van woord en wederwoord voorgeschoteld krijgen. En is dit een oplossing voor België, waardoor alles weer goed komt? Neen. Het unitaire België is dood. Maar na de recente regeringsvorming weet iedereen dat het huidige federale model in coma ligt. En om daar iets aan te doen, is meer nodig dan vijf minuten.
